Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

merk, dat bewezen moet worden, kan dus door een gering tijdsverloop eo ipso ontstaan, in oorlogstijd zelfs na vier dagen, 't Bewijsleveren van het opzet wordt daardoor overbodig. Dat is wel gemakkelijk voor den rechter, maar daarom nog geen wetgeverskunst. En allerminst kan daardoor het nauwe verband tusschen militair misdrijf en disciplinaire overtreding aangetoond worden.

„Van de zes punten van art. 2 van het ontwerpwet (nuwet) op de krijgstucht, waarin wordt aangegeven, welke feiten krijgstuchtelijke vergrijpen zijn, worden in de vijf laatste niet alleen een aantal overtredingen van het gemeene recht, maar ook misdrijven volgens bet gemeene en militaire strafwetboek eenvoudig tot krijgstuchtelijke vergrijpen verklaard, indien zij naar bet oordeel van den tot straffen bevoegden meerdere van zoo lichten aard zijn, dat zij buiten strafrechtelijke behandeling kunnen worden afgedaan. Hoe is dit van een juridisch standpunt anders te verklaren dan door aan te nemen, dat in de militaire maatschappij de lichtere vergrijpen krijgstuchtelijk, de zwaardere strafrechtelijk worden afgedaan" roept de kolonel Koolemans Beijnen uitx). Het geldt hier eene belangrijke quaestie, waarbij ik eenige oogenblikken moet stilstaan. In de Memorie van Toelichting, behoorende bij het ontwerp-Wet op de Krijgstucht, wordt gezegd, dat inde „vijf laatste" punten „zoogenaamd oneigenlijk disciplinair strafrecht is vervat" 2). „Oneigenlijk disciplinair strafrecht," hetgeen blijkt, wanneer men de artikelen van het Wetboek van Militair Strafrecht en van het Wetboek van Strafrecht naleest. Het strafbare feit van artikel G6 van eerstgenoemd Wetboek wordt bedreigd met gevangenisstraf van ten hoogste acbt jaren; dat van artikel 7G met drie jaren; dat van artikel 113, naar mate van omstandigheden, met tien of drie jaren; dat van artikel 116, lid 1 met twee jaren; dat van artikel 110, lid 2 met negen jaren; dat van artikel 118, naar mate van omstandigheden, met vijftien of driejaren. liet strafbare feit van artikel 300, lid 1 van laatstgenoemd Wetboek wordt bedreigd met gevangenisstraf van ten hoogste twee jaren; dat van artikel 310 met vier jaren; dat van artikel 321 met drie jaren; dat van artikel 350, lid 1 met twee jaren. De straffen in de overige van beide Wetboeken genoemde artikelen zijn lichter. Nu weet ik wel, dat

') T. a. p. blz. 224.

*) Handelingen dor Staten-Generaal, Bijlagen 1896-07, n°. 21(i-3, blz. 9a.

Sluiten