Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

de zaak af te doen, reeds veel verbeteren. Natuurlijk moet, wanneer men den militairen rechter zou afschaffen, de kantonrechter deze bevoegdheid om strafbevelen uit te vaardigen bezitten.

Intusschen meen ik, dat men geen afdoend argument voor de stelling, dat er tusschen tucht- en strafrecht geen qualitatief onderscheid bestaat, aanvoert met te wijzen op de verwarring, welke onze wetgever ten dien aanzien heeft gesticht.

Wanneer tucht en recht één waren en daarom de militaire rechter niet kan gemist worden, moet er dus geen ander verschil tusschen tucht- en strafrechter bestaan dan dat de eerstgenoemde de lichtere gevallen en laatstgenoemde alle gevallen kan afdoen. Een strafrechter, die als minimum een dag hechtenis kan opleggen, behoort reeds hierom ook disciplinaire straffen te kunnen toepassen, doch bovendien wie zware straffen mag uitspreken, moet zeker lichte straffen kunnen opleggen. Toch zijn de voorstanders van tuchten-recht-één daarmee niet tevreden. Volgens het meegedeeldex) omtrent de definitie van het begrip van disciplinaire straf zou men het tegendeel meenen van den kolonel Koolemans Beijnen, doch in eene bijlage (G.)2) teekent hij aan op eene sententie van het H. M. G. van 7 December 1894, waarin de preventieve hechtenis van den veroordeelde als voldoende straf voor de overtreding werd geacht: „Maar juridisch juist te achten is zij niet. Het Hof had mijns inziens zich moeten bepalen tot het den beklaagde vrijspreken van misdrijf. Met krijgstuchtelijke vergrijpen heeft het niets te maken" 3). Men zal ook meermalen beslissingen in dezen zin aantreffen. Een krijgsraad spreekt vrij, omdat het feit niet de elementen van een misdrijf bevat, waarna de betrokken korpscommandant eene disciplinaire straf oplegt. Volkomen juist, maar als bewijs, dat tucht- en strafrecht niet één zjjn. Was dit wel het geval, dan zou de regel non bis in idem gelden. Bij de behandeling der Wet op de Krijgstucht sprak de regeeringscommissaris mr. Van der Hoeven in denzelfden zin ').

') t. a. p. blz. 226-227.

2) t. a. p. blz. 303-304.

3) Elders (blz. 245) schrijft hij: «In het ontwerp evenwel is slechts voorgeschreven, dat het hoog militair gerechtshof, indien daarop een beroep als hoogste disciplinair collegie (niet als rechter) wordt gedaan, de zaak zal onderzoeken.» (De cursiveering is van mij).

4) Handelingen t. a. p. blz. 1394.

19

Sluiten