Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

verhouding zou staan als de civiele rechtsmacht tot het staatsgezag. Wijl nu in den modernen staat de stelling, dat de toepassing van het strafrecht niet anders mogelijk is als door van het staatsgezag onafhankelijke rechters volgens eene bij de wet geregelde procedure, algemeen erkend wordt, moet dit ook voor de militaire justitie gelden en de militaire strafrechtspleging uitgeoefend worden door van het militaire gezag des opperbevelhebbers (die Kommandogewalt) onafhankelijke rechters, aan eene bepaalde procedure gebonden. Het Kommandogewalt mag met betrekking tot den militairen rechter, evenmin als het staatsgezag ten opzichte van den civielen rechter, eenigen anderen invloed hebben als het recht en den plicht te zorgen, dat de rechtspraak ongehinderd en met dezelfde waarborgen als in de gewone rechtspraak geschiedt.

Feitelijk staan de zaken zoo niet, gelijk we in de Tweede Afdeeling hebben gezien. In werkelijkheid bezit de militaire bevelhebber als „Gerichtsherr" een zoodanigen invloed op de uitoefening der strafrechtspleging, dat de zelfstandigheid van den militairen rechter onmogelijk is. Ik kom na de uitvoerige uiteenzetting daarop niet meer terug.

Deze opvatting heeft aanleiding gegeven om de militaire rechtsmacht als een deel der administratie en niet als een deel der justitie te beschouwen. In een uitvoerig betoog over het „Wesen und oberste Prinzipien der neuen Militargerichtsbarkeit" verdedigt prof. Herman Rrhm deze meening1). Allereerst vraagt hij: „Bildet die neue Militargerichtsbarkeit einen Bestandteil der Justizhoheit oder einen Bestandteil der Militarhoheit von Staat und Reich?" en komt op drieerlei grond tot eene beslissing in laatstgemelden zin: Eerstens, omdat militairen deelnemen aan de rechtspraak en er het toezicht op houden in stede van civielpersonen. In de tweede plaats, omdat niet het ministerie van justitie, maar die van oorlog en marine de administratie der militaire justitie voeren. En in de derde plaats is de president van het Reichsmilitargericht slechts aan den Keizer en niet aan den verantwoordelijken Rijkskanselier ondergeschikt. Het geldt hier eene bepaalde wetgeving, zoodat de aangevoelde argumenten meer post dan propter zijn. Immers de militaire rechtsmacht is niet een deel der „Militarhoheit," omdat officieren er aan

') Zeitschrift fiir die gesamte Strafrechtswissenschaft, XIX, blz. 416—440.

Sluiten