Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

deel nemen, maar men dient te bewijzen, dat officieren er aan moeten deelnemen, omdat het een deel der „Militarhoheit" is. De in de derde plaats genoemde reden ontleent Rehm aan § 92 der Militarstrafgerichtsordnung, eene paragraaf, welke zich volgens de Begründung l) „im Allgemeinen an die Vorschriften des Gerichtsverfassungsgesetzes (§141)" aansluit. Dit argument van Rehm is dan ook door niemand bij de totstandkoming van het wetboek aangevoerd. Dat de administratie der militaire justitie door de militaire departementen wordt gevoerd, moet eigenlijk het gevolg zijn van de omstandigheid, dat de militaire rechtsmacht een deel der „Militarhoheit" is en niet omgekeerd. Intusschen wel „steht der Militfirjustizverwaltung ein Aufsichtsrecht über die Ausübung der Militargerichtsbarkeit zu. Jedoch ist die Militarjustiz verwaltende Behörde nicht befugt, in die Leitung eines militargerichtlichen Strafverfahrens ein zugreifen" 2). Stenglein 3) teekent dan ook op § 112 aan: „Die Aufsicht der Militar-Justizverwaltung reduziert sich nach Vorstehendem auf die Ueberwachung, dass judiziert und die Aburteilung nicht verzögert werde und nötigenfalls auf Anregung disziplinaren Einschreitens gegen saumige Richter." Dat neemt niet weg, dat ten onzent mr. L. M. Rollin Gouquerque ') het „een onafwijsbaren eisch" noemt, dat hier „evenals in Duitsehland, het Departemenl van Justitie buiten alle werkzaamheden aangaande de samenstelling en, waar noodig, de toepassing en interpretatie der militaire strafwetten, speciaal die van de militaire rechtspleging en van de militaire rechterlijke organisatie, worde gehouden en dat al deze werkzaamheden evenals de geheele administratie der militaire justitie, worden overgebracht en behandeld bij de militaire Departementen van Algemeen Bestuur." Immers, „de bemoeiingen uit die wetten voortvloeiende kunnen alleen worden toevertrouwd aan hen, wier studie en praktijk eene deugdelijke kennis vooronderstelt van militaire psychologie en moraal, van legertoestanden, -verhoudingen en -organisatiön, alsmede van de eischen van den dagelijkschen militairen dienst, zoowel in vredes- als in oorlogstijd, en tevens een

') Materialien, blz. 77b.

•) Begründung. Materialien, blz. 79-80.

3) T. a. p. blz. 08.

l) In zijn praeadvies voor de Nederlandsche Juristen-Vereeniging (Handl. 1900, I, blz. 317.)

Sluiten