Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Willen haben. Neben ihr kann kein andercr selbstandiger Wille, keine zweite selbstandige Gewalt bestehen. Die Autoritat der Kommandogewalt ist sonst geschwacht. Um dieses zweiten Zweckes willen is es sornit nicht möglich, die Gerichtsorgane in Ausübung ihrer Funktionen von höherer Gewalt völlig unbeeinflusst zu lassen" '). Edoch, § 18 der Militarstrafgerichtsordnung luidt: „Die erkennende Gerichte sind unabhiïngig und nur dem Gesetze untenvorfen." Ja, zegt de heer Rehm „aber nur in der Hauptverhandlung" en dan nog „ist die Unabhangigkeit dieser Gerichte keine so weitgehende wie diejenige der bürgerlichen Strafgerichte", wijl de militaire rechters niet met die garantien van onafhankelijkheid en onpartijdigheid zijn omgeven als de civiele strafrechters2). Ik zal het tegendeel niet beweren, evenmin als dat, tengevolge van de omstandigheid, dat de Gerichtsherr tegelijk de functien van Openbaar Ministerie en van rechter in eene hand vereenigt, nieuwe conflikten ontstaan. „Der Gerichtsherr ist Richter in eigner Sache, und doch soll er als Staatsanwalt parteiisch, als Richter unparteiisch sein." Op deze en dergelijke tegenstrijdigheden heb ik reeds vroeger gewezen; zij dienen als kenmerken van het subjectieve karakter der militaire strafrechtspleging, welke door het verlies harer objectiviteit een tuchtrechtspleging wordt, onder den schijn van met wettelijke waarborgen omgeven te zijn. En intusschen is deze regeling bij de wet eene belemmering voor eene goede tuchtrechtspleging. Immers, terwijl het tuchtrecht, gelijk wij in de vorige paragraaf hebben gezien, inhaerent is aan den drager van het militair gezag, ,,an die Kommandogewalt", heeft de wettelijke regeling tengevolge, dat alleen aan de „Gerichtsherren der höheren und niederen Gerichtsbarkeit" bevoegdheden toekomen, die, wanneer werkelijk het strafrecht een uitvloeisel van het militair gezag ware, alle „Kommandobehörde" moesten bezitten. Zoo hebben de regimentscommandant als Gerichtsherr der niederen Gerichtsbarkeit en de divisiecommandant als Gerichtsherr der höheren Gerichtsbarkeit bevoegdheden, welke de brigadecommant mist, niettegenstaande deze een rang tusschen dien van regimentscommandant en divisiecommandant bekleedt. Waarom niet, als tucht en

') T. a. p. blz. 426. In denzelfde zin sprak een Bundesrathsvcrtreter in do Kommiseionsberathung, Materialien, blz. 121.

') T. a. p. blz. 431. Zie ook hierover § 2 der Tweede Afdeeling.

Sluiten