Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

billijkheid der gestelde regelen mag beoordeelen. Niemand zal ontkennen, dat het voor het grootste deel van het volk Zijn Edelachtbare is, die straft, want dat is volkomen juist. Maar het grootste deel van het volk, — zoo niet allen — weet ook, dat het niet de rechter is, die stroopen, stelen, moorden, en om geringe overtredingen te noemen: kleeden kloppen na een bepaald uur, rooken in een tramrijtuig, rijden op een verboden weg, fietsen na zonsondergang zonder licht enz. strafbaar stelt. De norm en de strafpositic bij hare overtreding worden buiten den rechter om vastgesteld, aan hem is de toepassing in het concrete geval opgedragen. Trouwens overal is dit zoo. De Minister van Oorlog, de Inspecteur van het Wapen geeft omtrent een of andere aangelegenheid voorschriften, tegen welker niet naleving van zelf alle disciplinaire straffen bedreigd zijn. Nu is het niet Zijne Excellentie, die straft'), maar de compagnies-, bataljons- of regimentscommandant, doch wie zal er aan twijfelen, dat het gezag van dengene, die het voorschrift geeft, hooger is dan van hem, die wegens overtreding van het voorschrift, straft ?

Het antwoord op de vierde vraag behoeft weinig toelichting en wel, omdat in werkelijkheid de militaire meerdere het recht om zijne ondergeschikten te straffen niet bezit. Over het tuchtrecht wordt natuurlijk niet gesproken, daar niemand van meening is, dat dit aan den superieur moet ontnomen worden. Wat men niet heeft, kan niet aan anderen overgedragen worden. Derhalve moet, onafhankelijk van het antwoord op de vorige vragen, ontkennend geantwoord worden op de vierde vraag. Intusschen is het aan twijfel onderhevig, of — voor het geval dat de meerdere nog het recht van crimineele straffen op te leggen zou hebben — het prestige van hem zou verzwakken, indien hij dat recht van straffen aan een onafhankelijken en deskundig rechter zou overdragen. Rechtvaardigheid en Gerechtigheid verlioogen het prestige, dat ontleent wordt aan het wettelijk gezag. Elke waarborg in dat opzicht gegeven, zal het prestige dus ten goede komen. En elke rechterlijke dwaling

') Het is zelfs mogelijk aan de bevoegdheid om te straffen van de hoogere autoriteiten dan den korpscommandant te twijfelen, hoewel ik voor mij meen, dat deze bevoegdheid op grond van het subjectieve karakter van het tuchtrecht aan hen moet worden toegekend.

Sluiten