Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

1890 Stbl. 127 aan de bevoegde ambtenaren het binnentreden van de kazerne. Het spreekt van zelf, dat tusschen den militairen bevelhebber en den officier van justitie niet per se eene vijandelijke gezindheid behoeft te bestaan, en dat beide autoriteiten tot de opsporing en bestraffing van strafbare feiten ook wel kunnen samenwerken.

Ik heb hiervoor :) aangegeven, hoe men gewoonlijk ter wille van de „Einheitlichkeit der Autoritat im Heere" verdedigt, dat de militaire rechtspraak in handen van den bevelhebber — of van organen, welke van hem afhankelijk zijn — moet berusten, zonder de aldaar aangevoerde argumenten nader te beschouwen. Naar mijne meening kunnen zij de toets der kritiek niet doorstaan, wijl evenzeer als bij de straks besproken vragen van den kolonel Koolemans Beijnen van eene verkeerde prtemisse wordt uitgegaan. Er bestaat in werkelijkheid „eine solche sich einschiebende Nebengewalt", namelijk in den krijgsraad, zoowel hier als elders 2). Weliswaar heb ik in de Tweede Afdeeling aangetoond, dat de krijgsraden niet met die waarborgen van onafhankelijkheid als de burgerlijke rechtbanken zijn omgeven, doch er wordt toch volgens de wet rechtgesproken. De krijgsraad zal dientengevolge niet kunnen straffen, wat niet a priori als strafbaar feit in de strafwet is opgenomen, m. a. w. hij zal moeten vrijspreken, wanneer hij van meening is, dat de elementen van het strafbaar feit, waasvoor de beklaagde terechtstaat, niet aanwezig zijn. Hij zal dus „neen" moeten zeggen, ook al wil de bevelhebber „ja" hebben, tapzij diens invloed nog grooter is dan ik hiervoor aantoonde, doch dan is het oordeel over dezen rechter door hemzelf geveld. Toont de krijgsraad zich zelfstandig, dan stelt hij zijn gezag tegenover dat van den bevelhebber en zou „den festgeschlossenen Gliederbau gelockert" worden, indien het cement van het militaire gebouw van eene zoo slechte qualiteit ware, als de voorstanders van de hier door mij bestreden meening doen voorkomen.

In de praktijk gebeurt het herhaaldelijk, zelfs bij reclames, waarin de bevelhebber veel meer partij is, dat de krijgsraad den beklaagde vrijspreekt of den reclamant in 't gelijk stelt. En niettemin staat

i) Blz. 300.

') Zie ook het door prof. mr. SlMONS gesprokene op de meergenoemde vergadering van de Vereeniging ter beoefening van de krijgswetenschap van 28 Maart 1901 (versl. blz. 532.)

Sluiten