Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Regeering terecht aangaande de militaire jurisdictie l), „elle n'offre un intérêt réel qu'en temps de guerre ou lorsque la discipline est en cause". In theorie volkomen juist, doch de praktijk houdt hier zelfs geen rekening mee. Tot de zaken, welke de discipline betreffen, behooren in de eerste plaats de gevallen van insubordinatie. Zoowel, wanneer de meerdere in rang met woorden of gebaren beleedigd of geminacht wordt als wanneer hij met feitelijkheden bedreigd of aangerand wordt, tast men het militaire gezag aan en wel zoo, dat ter wille van het prestige van den meerdere, liefst onmiddellijk eene bestraffing moet volgen. Edoch, de praktijk stoort zich daaraan niet en kan zich daaraan niet storen, zoolang de rechten van den beschuldigde ook nog in rekening komen. Men zal, of men wil of niet, een strafprodure moeten volgen, waarin verschillende vormen en termijnen moeten inacht genomen worden. Van eene onmiddellijke bestraffing kan dus geen sprake zijn. Dat de nu geldende praktijk ten onzent de gevallen van insubordinatie niet sneller berecht dan die van desertie, diefstal, enz., kan uit de zooeven meegedeelde gegevens blijken. De gemiddelde duur der procedure in het le militaire arrondissement was 22 dagen, terwijl die bij desertie 20 dagen en bij diefstal ook 20 dagen was. Voor zoover mij bekend is, bestaat er ook nergens eene afzonderlijke procedure voor de berechting van gevallen, die de discipline raken, waardoor een snelle berechting mogelijk zou zijn. Het spreekt van zelf, dat bij afschaffing van de militaire rechtsmacht de burgerrechter, wien de berechting van dergelijke strafbare feiten dan zou opgedragen zijn, ook wel in den nu gebezigden tijd zou kunnen rechtspreken, vooral wanneer men hem ontsloeg van de verplichting om bepaalde termijnen in acht te nemen.

Bovendien zijn deze strafbare feiten, tegen de ondergeschiktheid gepleegd, in de meeste gevallen onder omstandigheden gebeurd, die eene disciplinaire afdoening volkomen wettigen, hetgeen onze wetgever blijkens art. 2 van de Wet op de Krijgstucht ook van meening is. Losheid, onnadenkendheid, brooddronkenheid, dronkenschap, onoordeelkundig optreden van den meerdere, ziedaar factoren, die daartoe aanleiding kunnen geven. In de zwaardere gevallen

') Exposé des motifs behoorende bij het wetsontwerp van 14 November 1890, als Annexe II gevoegd bij het Projet de loi portant réforme du Code dejustice militaire. Ohambre des députés, 1902 n°. 342 blz. 155.

Sluiten