Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

dan ook voor, dat het tegendeel het geval is, van wat de Duitsche regeering schreef: „Der militarische Dienst würde wesentlich beeintrilchtigt werden, wenn auch nur ein Theil der Untersuchungen gegen aktive Militarpersonen auf die Civilgerichte überginge."

§ 7. De rechtspleging in tijd van oorlog.

Si vis pacem, para bellum. Men heeft in onzen tijd de reusachtige toebereidselen voor den oorlog, welke zich alle staten in Europa getroosten, meermalen de premie voor den vrede genoemd. Alle uitgaven, welke op de oorlogsbudgetten prijken, hebben ten doel den staat tegen een aanval van buiten te verdedigen en zijne rechten te doen eerbiedigen. Nu gaat er van deze voorbereiding eene preventieve, prophylactische werking uit, welke, althans ten deele, de ontzaggelijke kosten wettigt, maar eigenlijk draagt de staat de groote finantieele en personeele lasten om in tijd van oorlog zich te kunnen verdedigen. Het doel van de militaire uitgaven eischt dus den oorlogstoestand en in den oorlog wordt op proef gesteld, wat in vredestijd voorbereid is; de deugdelijkheid van het leger moet dan blijken, zijne bruikbaarheid aan het licht komen. Daaruit volgt, dat het leger in vredestijd reeds zoodanig moet georganiseerd zijn als met het oog op zijne oorlogsbestemming noodig is *). Vandaar, dat de militaire rechtspleging, als eene der hulpmiddelen van het leger, in vredestijd uitgeoefend moet worden door degenen, die dit te velde ook doen. De organisatie en de bevoegdheid van den militairen rechter alsmede de inrichting der procedure behooren al in vredestijd met het oog op de oorlogsbestemming van het leger vastgesteld te zijn. Uit de noodzakelijkheid van het bestaan van den militairen rechter te velde, vloeit de afzonderlijke rechtspraak voor militairen in vredestijd voort. En wijl de oorlogstoestand niet gedoogt, dat militairen wegens sommige delicten voor den burgerrechter worden geroepen, behoort de mili-

') Dangelmaier, Abhandlungen, blz. 74 : «Anerkannt ist es von militarischen Autoritaten, dass das Heer schon im Frieden dieselben Einrichtungen haben soll, die der Krieg erfordert, denn nur das ist für das Heer von Wert, was sich im Kriege bewahrt.

Sluiten