Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

taire rechter, ook in vredestijd, universeele competentie in strafzaken te hebben. Eene snelle berechting, waarbij termijnen en velerlei formaliteiten uit den booze zijn, zal eene bijzondere procedure vereischen, welke reeds in vredestijd toepassing vinden moet.

In deze redeneering schuilen meerdere fouten. Allereerst wordt de militaire justitie ten onrechte als een hulpmiddel van het leger * beschouwd, dat slechts voor het oorlogsdoel dient. Evenmin als de voeding en de huisvesting in vredestijd van den soldaat met het oog op den oorlog zijn ingericht, kan men zeggen, dat de militairrechterlijke macht georganiseerd moet zijn als in oorlogstijd. Men maakt wel degelijk onderscheid tusschen de voeding en de huisvesting in vredestijd en die in oorlogstijd en niemand denkt er aan, omdat te velde alleen gekampeerd, zoo niet gebivakkeerd wordt, de soldaten reeds in vredestijd het geheele jaar door in tenten te huisvesten, laat staan onder den blooten hemel te doen verblijven. In vredestijd wordt de soldaat evenals de andere burgers gevoed en gehuisvest, alleen op kosten van den staat. En met de afschaffing van het leger vervallen deze voeding en huisvesting van den gewezen soldaat niet; zij worden alleen uit een andere bron betaald. De verpleging van den soldaat geschiedt dan ook niet, evenals de oefeningen, om een leger te vormen en bruikbaar te maken, maar omdat zij de eenvoudigste en minst kostbare wijze is om mogelijk te maken, dat een groot aantal mannen den geheelen dag voor oefeningen beschikbaar is. Zoo staat het ook met de militaire justitie. Zoowel hier als elders bestaan nu afzonderlijke voorschriften aangaande de militaire rechtspleging in tijd van oorlog, hetzij dat de militairrechterlijke colleges op andere wijze samengesteld zijn, hetzij dat eene andere procedure is voorgeschreven, hetzij dat beide omstandigheden de rechtspleging in vredestijd veranderen. De justitie bestaat, evenmin als de verpleging, om het leger, maar ter wille van de gerechtigheid, die ook in het leger moet zijn. Omdat het leger bestaat, moet in dat leger ook de justitie gehandhaafd worden. Doch daarmee is allerminst gezegd, dat deze justitie niet door dezelfde organen, die haar ten opzichte van de overige burgers handhaven, kan uitgeoefend worden.

In de tweede plaats maakt men geen onderscheid tusschen de oorlogsvoering in vroegere tijden en nu. In de Eerste Afdeeling heb ik uitvoerig bij het verschil stilgestaan en aangetoond, dat de

Sluiten