Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

in een of meer titels in liet Wetboek moeten opgenomen worden evenals nu b. v. met de „scheepvaartmisdrijven" is geschied. De vraag, in hoeverre enkele delicten als desertie, verraad, enz. eigenlijk in den 3en of 4en titel van het Tweede Boek van ons Wetboek behooren, laat ik, als niet op mijn weg liggende, rusten. Daarentegen heb ik gemeend in 't kort te moeten aangeven, hoe het materieele strafrecht voor militairen in het gewone Wetboek zal moeten opgenomen worden, omdat ik in den pompeuzen opzet van een Wetboek van Militair Strafrecht een reden tot behoud van de militaire rechtspraak zie x).

Afgescheiden van en naast deze strafrechtspleging staat de regeling van het tuchtrecht. Evenmin als het kerkelijk tuchtrecht of dat van ieder anderen kring hangt dit met de strafrechtspleging samen. Ik heb dit hiervoor 2) uitvoerig aangetoond en erop gewezen, dat dit verband nu feitelijk reeds niet wordt erkend, al beweren de voorstanders van eene militaire jurisdictie ook, dat het eene het complement van het andere is. Zoo geldt het „non bis in idem" niet. Het strafrecht is objectief, het tuchtrecht subjectief. Zoolang nu alleen de belangen van den afgesloten kring worden geraakt, moet men het met het tuchtrecht stellen. AVanneer naast deze ook het algemeen belang of het staatsbelang getroffen wordt, moet met het tuchtrecht het strafrecht als repressie gelden. En mocht alleen het algemeen- of het staatsbelang erbij betrokken zijn, dan kan met de toepassing van het strafrecht worden volstaan, doch hierover dient alleen de drager van het tuchtrecht, de militaire bevelhebber, te oordeelen.

Tuchtrechterlijke bestraffing dus alleen, wanneer enkel feiten gepleegd zijn, welke het leger betreffen, zonder in het algemeen schadelijk te zijn. Hieronder vallen ongeveer alle vergrijpen tegen de krijgstucht, welke nu als krijgsf uchtelijke overtredingen bekend zijn en niet voorafin een wetboek kunnen worden opgenoemd. Strafrechterlijke en tuchtrechterlijke bestraffing, wanneer feiten gepleegd zijn, welke volgens de strafwet in ruimen zin strafbaar zijn en tevens vergrijpen tegen de dicipline opleveren. Men moet hiervan zelfs niet uitzonderen feiten, welke een misdrijf tegen de ondergeschiktheid opleveren,

') Mr. H. van der Hoeven zeide als Begeeringscommissaris: «al wordt ooit, wat wel niet spoedig zal gebeuren, de militaire rechtsmacht afgeschaft, ja, dan zou men toch zeker een strafwetboek moeten hebben in den trant als het nu voorgestelde » Handelingen 1901—1902, blz. 1194a.

') Blz. 279 vlg.

Sluiten