Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

want over de wijze, waarop de discipline moet gehandhaafd worden, is ten slotte de militaire bevelhebber verantwoordelijk. Dat neemt natuurlijk niet weg, dat deze bevelhebber wel van meening kan zijn, dat de discipline door de straf van den objectieven strafrechter voldoende gehandhaafd wordt en dat dus van eene disciplinaire bestraffing kan afgezien worden. Het militaire gezag oordeelt, of naast de eigenlijke straf nog eene tuchtstraf zal opgelegd worden. Strafrechterlijke bestraffing alleen derhalve, wanneer de discipline door het gepleegde feit niet wordt aangetast of, — en dit is eigenlijk eene uitbreiding — wanneer het militaire gezag deze bestraffing voldoende acht. Hieronder zullen vallen vele overtredingen tegen de strafwet alsmede die zware misdrijven, welke naast eene gevangenisstraf van eenige jaren als bijkomende straf de vervallenverklaring van den militairen stand tengevolge hebben. Het zou dwaas zijn iemand, die wegens doodslag tot acht jaren gevangenisstraf is veroordeeld, nog krijgstuehtelijk te straften. In hoeverre men de bestraffing van overtredingen, zooals b. v. het rooken in eene tram, op eenvoudige en verkorte wijze wil laten geschieden, natuurlijk evengoed voor burgers als voor militairen, ligt niet op mijn weg te onderzoeken. Alleen moet ik er dit van zeggen, dat evenmin als men bestraffing van lichte overtredingen, om van misdrijven niet te spreken, overlaat aan den \ adei van het gezin, het hoofd eener school, de kerkelijke overheid, kortom aan de dragers van eenig tuchtrecht, mag de militaire overheid feiten, volgens de strafwet strafbaar, disciplinair afdoen. Het tuchtrecht en het strafrecht dus volkomen gescheiden.

Hoe nu de bevoegdheid om tuchtstraffen op te leggen wordt toegekend, is niet moeilijk aan te geven, alleen zal men waarschijnlijk om praktische redenen haar eerst aan den commandant van eene compagnie, (escadron of batterij) verleenen, dus zooals nu reeds het geval is. De drager van het gezag moet tevens drager van het tuchtrecht zijn en, wat daarmede nauw samenhangt, de bevoegdheid bezitten om met inachtneming van voorschriften van hoogerhand, bindende bepalingen voor zijne ondergeschikten vast te stellen. Het spreekt van zelf, dat hij in ieder opzicht verantwoordelijk aan zijne chefs moet zijn.

Dat het recht om reclames over opgelegde tuchtstraffen te onderzoeken en daarover recht te doen, niet aan den strafrechter behoort

22

Sluiten