Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

8. De hier verleende bevoegdheid belet geenszins dat niet de vervolging terstond na het indienen der klacht een aanvang wordt gemaakt.

De Memorie van toelichting onderstelde alleen de mogelijkheid, en zinspeelde op de wenscheJijkheid van het laten rusten eener zaak waarbij geen pericnluni in inora is, in eene zinsnede die door de Commissie van Rapporteurs der Tweede Kamer geheel onjuist werd opgevat toen zij gewaagd noemde de stelling dat de zaken zonder periculnm in mora gedurende den termijn voor de intrekking gesteld kunnen blijven rusten.

De intrekkingstermijn schept geene opschortende voorwaarde voor de vervolging; de intrekking heeft alleen ten gevolge dat de vervolging gestaakt wordt en vervolgingsdaden met blijvend gevolg moeten worden ingetrokken: de praeventieve hechtenis behoort te worden opgeheven, de beklaagde tegen wien rechtsingang is verleend buiten vervolging te worden gesteld, eene dagvaarding te worden ingetrokken.

De Rechtbank te 's Grravenhage verwierp bij vonnis van 12 April 1888 l) terecht de bewering dat niet zou mogen gedagvaard worden vóór liet verloop van den termijn, voor de intrekking van de klacht gesteld.

0. De toepasselijkheid van dit artikel is uitgesloten voor het misdrijf van art. 241; daar wordt voor den hier geldenden termijn in de plaats gesteld het tijdperk, durende tot den aanvang van het onderzoek ter terechtzitting. Deze later in de wet gebrachte afwijking werd niet gemotiveerd, maar zal wel in verband staan met de omstandigheid dat de Minister strafbaarstelling van overspel afkeurde, slechts noode toegaf aan den aandrang daartoe en zijnerzijds zooveel mogelijk aanleiding tot voorkoming der terechtstelling en veroordeeling wegens dit misdrijf heeft willen geven.

T I T EI. VIII.

VERVAL VAN HET RECHT TOT STRAFVORDERING EN VAN

DE STRAF.

1. In dezen titel wordt de geheele materie van het verval van liet recht tot strafvordering en van de straf geregeld, voor zoover niet de

woorden „blijft gedurende acht dagen bevoegd", meer dan „is tot den achtsten (lees negenden) dag bevoegd", eene tegenovergestelde beslissing zouden doen verwachten, is niet duidelijk. Het argument zou eenige beteekenis hebben, indien in art. <i7 sprake was van eene blijvende bevoegdheid tot indiening van de klacht. 1) VVbl. 5601.

Sluiten