Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

bepalingen van bijzondere wetten in de Invoeringswet zijn gehandhaafd art. 3 </, jO 10.

Al wat dus het verval betreft is afgeschaft, zoo het niet uitdrukkelijk is gehandhaafd. Onder het afgeschafte is begrepen elke bepaling die nog eene andere wijze van verval betreft dan waarover deze titel handelt. Daartoe behoort ook het niet uitdrukkelijk gehandhaafde derde lid van art. 39 der wet op de jacht en visscherij, betrekkelijk tot sommige overtredingen dier wet waarvan de vervolging voorkomen kon worden dooi' eene verklaring van den benadeelde. Anders oordeelde hierover de Rechtbank tc Alkmaar 1), die besliste dat de achtste titel, slechts enkele oorzaken van verval behandelende, op zich zelf de elders bekende niet beheersehen kan. Bij de algemeenheid van zijn opschrift moet •leze titel echter geacht worden het verval in zijn geheel te behandelen, zoodat het genoemde artikel der jachtwet behelst eene „bepaling omtrent een onderwerp in (eenen van) do acht eerste titels van het eerste Boek van het Wetboek van Strafrecht behandeld".

In het systeem der Alkmaarsche Rechtbank zou men ook de transactie het afmaken tegen betaling van eene door den vervolgenden ambtenaar te bepalen geldsom — als gehandhaafd moeten beschouwen. Zij komt o. a. vóór in art. 52 der jachtwet. Dat ook deze bepaling begrepen is onder art. 3 d der Invoeringswet, blijkt nog uit art. 10 140 dier wet, volgens hetwelk in art. 39 der jachtwet voor art. 51 en 52 zal worden gelezen art. 74 van het Wetboek van Strafrecht.

2. De transactie is in beginsel bij onze wetgeving veroordeeld. Wel gingen in de Tweede Kamer stemmen op voor haar behoud, maar de Minister van justitie verklaarde, in overeenstemming met de meerderheid der Commissie van Rapporteurs, haar volstrekt verwerpelijk, daar de regel moet zijn dat de rechter, en niet middellijk of onmiddellijk hot openbaar ministerie de straf bepaalt. Zij werd echter behouden in zaken van rijksbelasting (art. 7 der Invoeringswet) en bij overtreding van waterschapskeuren (art. 10 5" der Invoeringswet, jo 22 der wet van 9 October 1841, Stbl. 42).

3. Eene geheel bijzondere bevoegdheid tot afmaken van overtredingen is aan de kommandanten der politievaartuigen, belast met het waken tegen overtredingen van de conventie tot regeling van de politie der visscherij in de Noordzee, gegeven bij art. 33 van die conventie, goedgekeurd bij de wet van 15 Juni 1883, Stbl. 73, waarop toepasselijk is art. 6 der Invoeringswet.

!) Vonnis van 4 Juli 1893, Wbl. 6372.

23*

Sluiten