Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

na dien, waarop liet feit is gepleegd. Men verkoos dit aanvangspunt boven het oogenblik van liet plegen, om te vermijden eene berekeningvan den termijn bij uren.

.Men heeft dus willen verwaarloozen de overblijvende uren van den dag waarop het feit is gepleegd, en al zoo den verjaringstermijn doen aanvangen niet het begin van den eerstvolgendeu dagi). De verjaring treedt alzoo in bij het eindigen van den laatsten dag van liet eindjaar van den termijn, die moge de 365®*® of bij schrikkeljaren de 3(j(jste zjjn, l)e wetgever heeft zich niet het schrikkeljaar als zoodanig niet ingelaten; jaren zijn dus jaren zóó als zij in den kalender berekend worden.

De termijn vangt alzoo aan op den dag na dien waarop liet feit is gepleegd. In het oorspronkelijke ontwerp stond: waarop de daad is gepleegd. Volgens de Memorie van toelichting bezigde men met opzet dit woord in plaats van strafbaar feit, 0111 te doen uitkomen «lat „zoowel bij voortgezette misdrijven waarbij een feit op zich zelf straf„baar is, als bij gewoonte-misdrijven waarbij tot de strafbaarheid eene „reeks van feiten wordt vereischt, geene daad of handeling, op zich „zelve of alleen in verband met andere strafbaar, grond tot vervolging „kan opleveren, als sedert zij gepleegd is de termijn van verjaring „is verstreken".

Hier is alzoo uitdrukkelijk gebroken met de door sommige schrijvers omhelsde ineening dat bij de genoemde misdrijven de verjaring voor alle feiten eerst zou beginnen te loopen na het plegen van het laatste feit.

Voor de zoogenaamde voortgezette misdrijven zou die ineening bij uitlegging van onze wet trouwens niet houdbaar zijn, daar zij geene voortgezette misdrijven kent, maar alleen op eene reeks van strafbare feiten, wanneer die in een zeker onderling verband staan, als voortgezette handeling ééne straf toegepast wil zien. Het zou nu geenen zin hebben, waar aan de eene zijde strafverlichting wordt voorgeschreven , aan den anderen kant strafbaarheid aan te nemen wegens hun verband voor die feiten welke, zoo zij op zich zelf stonden, niet meer strafbaar zouden zijn.

Wat de gewoontemisdrijven betreft is wel beweerd dat een misdrijf niet gedeeltelijk verjaren kan. Maar niet een deel van het misdrijf wordt geacht verjaard te zijn; er is enkel verboden het misdrijf te construeeren ook uit handelingen die buiten den verjaringstermijn vallen. Blijft binnen dien termijn de strafbare gewoonte aanwijsbaar, dan vormt deze het misdrijf zonder onderscheid of de gewoonte reeds

!) Zie aanteekening 1 op art. 2t>.

Sluiten