Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

beteekenis gebezigd wordt; immers de machtiging kan den aanvrager niet worden geweigerd. Er dient echter een bewijsstuk te zijn, waarop de betaling kan plaats vinden.

De wijze waarop de machtiging verkregen en gebruikt moet worden is bepaald bij art. 254 Wetboek van strafvordering.

. 2. Naar het Wetboek van strafvordering werd ook de Commissie van Rapporteurs door den Minister verwezen, toen zij vroeg hoe en door wien de schatting der waarde van aan verbeurdverklaring onderworpene, doch niet uitgeleverde voorwerpen zou worden gedaan.

Intusschen is bij de herziening van dat wetboek het treffen van eene regeling hieromtrent verzuimd.

Vermits er nu enkel tusschen den verdachte en den ambtenaar van het openbaar ministerie wordt gehandeld, zal de schatting wel door dezen laatste gedaan moeten worden l).

3. TTit de scheiding der bepalingen van het eerste en liet tweede lid heeft men willen afleiden dat de eenige voorwaarde voor verval van het recht tot strafvordering is de betaling der boete, en dat de bijkomende verplichting tot uitlevering van het aan verbeurdverklaring onderworpene daar buiten staat.

Al is de redactie van het artikel op dit punt niet onberispelijk, terecht is door den Hoogen Raad dat gevoelen verworpen op grond dat art. 74 twee gevallen onderstelt en in het tweede lid de voorwaarden van het tweede stelt blijkens het woord „tevens", terwijl het derde lid ook spreekt van verval volgens het eerste en het tweede lid, art. 254 Wetboek van strafvordering de betaling van het maximum deiboete en de uitlevering van het aan verbeurdverklaring onderworpene of betaling der waarde in éénen adem noemt, en de bepalingen waaruit het artikel is voortgekomen, inzonderheid het nu vervallene art. 52 der Jachtwet, hetzelfde stelsel hadden -).

4. Alleen de voorwerpen die niet in beslag genomen zijn worden hier genoemd; andere kunnen niet meer worden afgegeven; op hetgeen

1) Anders de Pinto, Het herziene wetboek van strafvordering, aanteekening 4 op art. 254. De/.e beweert dat alleen uitlevering mogelijk is, omdat de waardebepaling volgens art. 34 Wetboek van strafrecht eerst plaats heeft bij de rechterlijke uitspraak. Schuilt in deze redeneering niet eene petitio principii?

In het wijzigingsontwerp van den Minister Cort van der Linden (1900) wordt de schatting opgedragen aan den ambtenaar van het openbaar ministerie, zoo noodig na verhoor van eenen deskundige.

2) Arrest van 23 Juni 1002, Whl. 7800, P. v. J. 1902, no. 1 UT.

Sluiten