Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

hebben, zij is toch geene straf. Intusschen zal ook deze slechts toegepast kunnen worclen op voorwerpen, bereids in het bezit van den staat, daar er geen middel is gegeven om ze alsnog in handen te krijgen.

Straf is ook niet het verhaal van kosten bedoeld in art. 36.

4. Ook op dit artikel is eene uitzondering gemaakt voor zaken van rijksbelastingen, in art. 418 Wetboek van strafvordering (Zie aanteekening 5 op art. 69).

Artikel 76.

Het recht tot uitvoering van de straf vervalt door verjaring. De termijn dezer verjaring is hij overtredingen twee jaren, l>ij misdrijven door middel van de drukpers gepleegd vijf' jaren, en hij andere misdrijven een derde langer dan de termijn dei- verjaring van het recht tot strafvordering.

In geen geval is de termijn der verjaring korter dan de duur der opgelegde straf.

1. Ook door verjaring vervalt het recht tot uitvoering der straf. De termijn dezer verjaring is grootendeels geregeld naar dien der verjaring van het recht tot strafvordering, mot eene weinig gemotiveerde uitzondering voor drukpersmisdrijven.

2. Het derde lid is geschreven ter voorkoming dat de vóór de uitvoering ontvluchte veroordeelde zich zijne vrijheid van beweging korteren tijd ontnomen zou zien dan degene die zijne straf ondergaat. Het was de Raad van State die op het gemis van deze bepaling in het ontwerp wees. De Minister van justitie, het artikel aanvullende, voegde er nog bij dat de levenslange gevangenisstraf niet zou kunnen verjaren. Later echter was men van oordeel dat dit reeds uit het derde lid volgt, zoodat eene afzonderlijke bepaling daaromtrent overtollig is.

3. De termijn van verjaring kan niet korter zijn dan de duur der opgelegde, d. i. de in het vonnis uitgedrukte straf. Nu wordt de ontzetting van rechten bij het vonnis krachtens art. 31 opgelegd voor eenen tijd van ten minste twee, en ten hoogste vijf jaar langer dan de opgelegde hoofdstraf. Het is dus de vraag of „de duur der opgelegde straf" hier beteekent den duur der hoofdstraf, dan of daaronder ook de bijkomende straf begrepen moet worden.

Wat de ontzetting van rechten aangaat moet de vraag in eerstbedoelden zin beantwoord worden; er is hier toch sprake van het recht tot uitvoering van eene straf, waarvan de verjaring niet in korteren tijd plaats heeft dan de opgelegde straf duurt, d. i. de

Sluiten