Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

opgelegde straf, waaraan uitvoering gegeven moet worden. De ontzetting nu wordt niet uitgevoerd, maar loopt van eenen vasten ilag tot aan een vooraf berekenbaar tijdstip; op haar is geene verjaring toepasselijk, en zij staat diensvolgens met verjaring niet in eenig verband. De reden waarom liet derde lid geschreven is, vindt dan ook bij haar geene toepassing!).

Anders is het met eene bijkomende straf die moet worden uitgevoerd : de plaatsing in eene rijkswerkinrichting, die bij bedelarij en landlooperij tot drie jaar toe kan worden opgelegd, terwijl in het algemeen het recht tot uitvoering hier in twee jaar verjaart. Hier moet de duur der bijkomende straf bij dien der hoofdstraf worden opgeteld, omdat ook het recht tot uitvoering van de eerste kan verjaren ; de reden voor de opneming van het derde lid is hier volkomen toepasselijk 2).

4. Het afhankelijk stellen van den verjaringstermijn van den aard van het misdrijf of den duur der straf die kan worden opgelegd geeft aanleiding tot eenige moeielijkheid in geval van oplegging van ééne straf bij samenloop van misdrijven, wanneer liet recht tot uitvoering van de straf voor het eene langer blijft bestaan dan voor het andere. De oplossing zal alleen deze kunnen zijn dat, wanneer voor een der misdrijven het recht tot uitvoering is vervallen, de straf in haar geheel niet meer voor uitvoering vatbaar is omdat het niet meer uitvoerbare onverdeelde aandeel dat het lichtste misdrijf in de straf heeft van het overige niet kan worden gescheiden. Dit klemt vooral wanneer het hoogste maximum overschreden is.

Anders Polenaar en Heemskerk, aanteekening 4.

2) Simons, Leerboek van het Nederlandsche strafrecht I, bladz. 236, veroordeelt deze opvatting als niet in overeenstemming met de wet, omdat het verband van art. 70 en art. 7(i, alsmede de reden waarom het derde lid in laatstgenoemd artikel is opgenomen, beperking tot de hoofdstraf eiseht.

Wat die reden van opneming betreft, voorzeker dacht de Kaad van State aan de wensehelijkheid dat de levenslange gevangenisstraf niet zou verjaren, maar daaruit volgt niet dat de onbeperkt geschrevene bepaling ook niet op andere straffen toegepast kan worden; voor alle hoofdstraffen wordt de toepasselijkheid dan ook aangenomen. Uit dit oogpunt is er dus geen bezwaar tegen toepassing op de plaatsing in eene rijkswerkinrichting; het rationeele mijner opvatting wordt trouwens erkend. Kn nu is het waar dat de verjaringstermijn in art. 70 en 7t> ten deele met den duur der hoofdstraf in verband wordt gebracht, maar juist bij feiten waarvoor plaatsing in eene rijkswerkinrichting kan worden opgelegd is dit niet het geval; voor die overtredingen is een fixum bepaald onafhankelijk van den duur der hoofdstraf; er is daarom geene reden in het derde lid voor straf hoofdstraf te lezen.

Sluiten