Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

5. Bij de invoering der wet van 12 Februari 1901, Stbl. ö.'S, wordt art. 70 aangevuld met drie leden:

Ten aanzien van een persoon, die vóór het begaan van het feit den leeftijd van achttien jaren nog niet heeft bereikt, is de termijn dezer verjaring bij overtredingen acht maanden, bij misdrijven door middel van de drukpers gepleegd achttien maanden, en bij andere misdrijven een derde langer dan de bij het tweede lid van artikel 70 bepaalde termijn der verjaring van het recht tot strafvordering.

Indien voor de tenuitvoerlegging van de straf de veroordeelde, die tij-lens zijne veroordeeling nog geen achttien jaren oud was, den leeftijd van een en twintig jaren heeft bereikt, vordert hij, die met deze tenuitvoerlegging is («last, dat de rechter die de straf heeft opgelegd, « en duur zal bepalen der gevangenisstraf of hechtenis of liet bediag der boete, op het feit gesteld, welke straffen alsdan in de plaats treden der vroeger opgelegde.

De bepalingen van het vierde en liet vijfde lid van dit artikel zijn met toepasselijk ten opzichte van gevangenisstraf, opgelegd ingevolge artikel 39 ter of artikel 39 septic*, laatste lid.

Ö. Over meerderjarigen en minderjarigen zie aanteekening 8 op art. 70.

«• De bepalingen van de nieuwe vijfde en zesde leden betreffen «'iMi'iilijk geene verjaring, maar behooren bij het laatste lid van art"cptws, waarmede zij een geheel uitmaken.

Als motief is opgegeven dat er geene reden kan bestaan iemand die reeds meerderjarig is geworden nog aan eene voor jeugdige personen geëigende straf te onderwerpen. Intusschen wordt in den tekst der wet met van meerderjarigheid gesproken maar van eenen bepaalden leeftijd omdat meerderjarigverklaring of huwelijk geenen invloed op de straf behoeft te hebben. Dit argument had trouwens voor allo uitzonderingsbepalingen kunnen gelden, die nu in den regel niet, voor het be(loeIde S°val wel> "I' meerderjarigen kunnen wonlen toegepast.

\ De rechter die de straf heeft opgelegd is de rechter die in

hoogste ressort over de straf heeft beslist, die in de gelegenheid was

geweest de straf anders te bepalen dan zij bepaald is, bij appel dus

«e ïechter in appel, bij cassatie de Hooge Raad ingeval van rechtspraak ten principale.

Hij die met de tenuitvoerlegging is belast is de ambtenaar van het openbaar ministerie Dij den rechter die de straf heeft opgelegd.

9. De bepaling van het nieuwe vijfde lid maakt geene inbreuk op «Ie regelen omtrent de verjaring van het recht tot uitvoering der straf ;

Sluiten