Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

De ontvluchting brengt mede dat de ontvluchte niet meer in verzekerde bewaring is; liet laatste lid van het artikel, voor het geval van verzekerde bewaring schorsing bepalende, kan hier dus niet worden toegepast.

Zij belemmert nu ook de uitvoering der wachtende straf.

Vermits de wet niet onderscheidt, kan het gevolg der ontvluchting op de volgende straffen zoowel als op die welke afgebroken wordt toegepast worden: de ratio is voor allen dezelfde, en er zou geene reden bestaan om hier, terwijl voor de eene straf do verjaring gestuit wordt, voor de andere zelfs de schorsing te doen ophouden en den ontvluchten veroordeelde dus ten opzichte van deze in eene voordeeliger positie te brengen.

5. Anders zou ik willen beslissen ten aanzien der herroeping van voorwaardelijke invrijheidstelling, zoo deze al eenigen invloed kan hebben, wat niet het geval is zoolang in art. 15, derde lid, niet voor het besluit tot herroeping in de plaats gesteld wordt de uitvoering van het besluit (zie aant. 7 op de artt. 15—17).

I)e voorwaardelijke invrijheidstelling kan toch nooit eenigen invloed uitoefenen dan op de straffen waarop zij is toegepast. Doet zich dus het geval vóór dat bij haar niet in rekening is gebracht eene straf die nog ondergaan moet worden, omdat bijv. de betrokkene autoriteiten van die straf niet hebben geweten, dan zal voor deze geen nieuwe verjaringstermijn loopen.

Noch de invrijheidstelling, noch hare herroeping belemmert of bevordert de executie van die andere straf.

Op deze zal dus alleen het laatste lid van dit artikel toegejwst kunnen worden.

(i. Na de hier bedoelde stuiting kan nog slechts het recht tot uitvoering van het onvervulde gedeelte der straf bestaan; wat ondergaan is blijft ondergaan.

7. Omtrent den aanvang der termijnen zie aant. 1 op art. 71.

8. De termijn van verjaring loopt niet gedurende de bij de wet bevolene schorsing der tenuitvoerlegging en gedurende den tijd dat de veroordeelde uit anderen hoofde in verzekerde bewaring is.

De schorsing der uitvoering is bevolen in art. 2(56 Wetboek van strafvordering voor het geval van verzet tegen een bij verstek gewezen vonnis, en in art. 336—339 van hetzelfde wetboek voor het geval van uitdrukkelijk verzoek daartoe in verband met het voornemen tot het vragen van gratie of met eene voorziening in cassatie ten aanzien van medeveroordeelden, en voor dat van indiening van een request om gratie.

Sluiten