Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

tijdelijke afwezigheid van boord, wordt als schipper beschouwd; de algemeenheid der bewoordingen laat daaromtrent geenen twijfel.

2. Het tweede en het derde lid kwamen oorspronkelijk in het artikel niet vóór; hun inhoud werd gevonden in de toelichting tot den titel van scheepvaartmisdrijven.

Het woord „opvarenden" heeft hier eeue bedenkelijk ruime beteekenis erlangd, ruimer ook dan de taalkundige beteekenis van het woord wettigt.

Naar de laatste zijn opvarenden allen die medevaren en als medevarenden in eenige betrekking tot het vaart nig staan, alzoo aan de regelen van tucht onderworpen moeten zijn.

Maar „allen die zich aan boord bevinden" omvat veel meer: ieder die zich op eenig oogenblik om welke reden ook aan boord bevindt. Met deze beteekenis streeft men het doel der voor opvarenden gemaakte bepalingen voorbij.

Vermits iemand zich bezwaarlijk van een schip kan meester maken zonder zich aan boord te bevinden, is art. 380 op iedereen toepasselijk en is daar het woord „opvarende" doelloos; het artikel zal zelfs toepasselijk zijn op den zeeroover, die met twaalf, resp. negen jaar gevangenisstraf wordt gestraft wegens het dienst doen op een zeerooversvaartuig (art. 381), en nog straf volgens art. 386 beloopen kan indien hij werkelijk rooft.

Als opvarende is naar art. 396 schuldig aan insubordinatie, ofschoon hij geenszins aan tien schipper gesubordineerd is, degene die, voor eenige bezigheid of zonder bezigheid aan boord van een aan den wal liggend schip zijnde, den schipper aanrandt; zeer zeker tegen de bedoeling van het artikel.

Ook in de overige artikelen waarin van opvarenden gesproken wordt (400 , 405 , 406 , 414 , 474) is blijkbaar aan medereizenden gedacht.

Is de bepaling aan de eene zijde te ruim, zij is tevens te eng: zijn opvarenden allen die zich aan boord bevinden, dan kan ook niemand anders er toe gerekend worden. Wie niet aan boord is, kan dus geen opvarende zijn. Niettemin verklaart art. 7 de Nederlandsche strafwet toepasselijk op de opvarenden die zich, ook buiten boord, aan de daar genoemde misdrijven schuldig maken. Buiten boord echter is niemand opvarende; buiten boord kan dus een opvarende zich niet aan eenig misdrijf schuldig maken.

De tepaling, zooals zij hier gegeven wordt, is dus te onpas in de wet gebracht.

3. Ook in de omschrijving van schepelingen, behoorende tot de opvarenden, is het zich aan boord bevinden opgenomen. Schepelingen zijn allen die zich als scheepsofficieren of scheepsgezellen aan boord

Sluiten