Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

uitzonderingen van art. 1 vallen, hetzij omdat zij in het geheel de zee niet bevaren, hebben nu geenen zeebrief noodig; toch kan hun tiet recht tot het voeren van de Nederlandsche vlag niet ontzegd worden. Als Nederlandsch vaartuig moet alzoo beschouwd worden het vaartuig dat, zoo het een zeeschip was, eeneu zeebrief zou kunnen krijgen, m. a. w. dat zonder zeeschip te zijn voldoet aan de voorwaarden van art. 21).

Dientengevolge is art. 40!) van het wetboek toepasselijk op den schipper van eenig vaartuig die weet dat dit niet voldoet aan de voorwaarden van art. 2, en op den schipper van een schip die weet dat hij geenen geldigen zeebrief heeft; tegen den laatste zal alzoo slechts liet gemis van zeebrief, tegen den eerste de eigendom bij andere dan de in art. 2 genoemde personen of vennootschappen bewezen moeten worden.

3. Voor zeeschepen gelden intusschen nog enkele bijzondere bepalingen.

In de eerste plaats kan voor sommige buiten Europa gebruikte kustvaarders volgens art. 12 voor den zeebrief in de plaats treden de vergunning tot het voeren van de Nederlandsche vlag. Ook die vergunning kan niet anders dan aan Nederlandsche schepen gegeven worden.

l) Mr. Kropveld, naar wiens uitvoerig artikel over deze materie in Tijdschrift voor strafrecht IV ik verwijs, wil (bladz. 181) de Nederlandsche nationaliteit ook toegekend zien aan vaartuigen van door den Minister van financiën erkende jachtclubs, al voldoen zij niet aan de voorwaarden van art. 2. Dit komt mij onjuist vóór. Zeebrieven worden alleen aan Nederlandsche zeeschepen gegeven; is hier dus van vaartuigen sprake die geene zeebrieven noodig hebben, dan kan toch alleen aan Nederlandsche vaartuigen gedacht zijn. Vaartuigen van eenen erkenden jachtclub kunnen dus alleen in aanmerking komen indien zij, waren zij in art. 1 niet van de benaming zeeschepen uitgesloten, eenen zeebrief noodig zouden hebben, d. z. dus Xederlandsche vaartuigen naar de vereischten van art. 2.

Ter tegemoetkoming aan de geopperde bezwaren heeft de Minister C'ort van der Linden in zijn wijzigingsontwerp (1900) art. 80 aldus geredigeerd:

Als Nederlandsch schip of Nederlandsch vaartuig wordt beschouwd elk vaartuig dat öf een Nederlandsch zeeschip is, of een in Nederland tehuis behoorend zeevisschersvaartuig, of een daar tehuis behoorend binnenschip dat bij uitzondering buiten de tonnen vaart, de beide laatste echter alleen indien zij voldoen aan de voorwaarden in artikel 2 der wet betrekkelijk de afgifte van zeebrieven en vergunningen tot liet voeren der Nederlandsche vlag ten aanzien van den eigendom gesteld; voorts een Nederlandsch oorlogschip, een ander vaartuig in dienst van het rijk en een vaartuig van eene zeilvereeniging of jachtclub als zoodanig door den Minister van Financiën erkend.

Sluiten