Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Artikel 90.

Ouder valsche sleutels worden begrepen alle tot opening van het slot niet bestemde werktuigen.

1. Het ontwerp miste dit artikel, maar bevatte in de plaats daarvan overal waar van valsche sleutels sprake was de bijvoeging: of andere tot opening van (de woning, het lokaal, de plaats, het voorwerp) niet bestemde werktuigen.

Den Minister van justitie scheen het praktisch deze herhaling te vervangen door eene algemeene bepaling omtrent hetgeen onder valsche sleutels begrepen zou worden; hij vereenvoudigde en verbeterde door in stede van opening van de plaats, het voorwerp, enz., te spreken van die van het slot; de eerste uitdrukking toch kan zoowel op verbreking als op het gebruik van valsche sleutels slaan.

2. Valsche sleutel is een begrip dat altijd nader bepaald moet worden. Een sleutel is niet op zich zelf valsch omdat hij tot opening van een vreemd slot gebruikt zou kunnen worden, maar wordt het alleen door het gebruik.

De uitbreiding van het begrip dient hier tevens tot zijne bepaling. Zegt de wet toch dat onder valsche sleutels worden begrepen alle tot opening van het slot niet bestemde werktuigen, dan definieert zij tevens implicite valschen sleutel als sleutel tot opening van het slot niet bestemd.

Het onderscheid tusschen den sleutel en de overige hier bedoelde voorwerpen bestaat enkel hierin dat de laatste niet bestemd zijn tot de 0]lening van eenig slot, de sleutel alleen niet bestemd is tot opening van het slot waarvoor hij in concreto is gebezigd. Bij die overige voorwerpen heeft men dus slechts te beslissen naar hunnen aard, bij den sleutel naar de hem gegevene bestemming, en wel met inachtneming van de bevoegdelijk gegevene, aan den sleutel inhaerente bestemming.

De dief kan gezegd worden zijnen sleutel, toen hij hem tot opening van het vreemde slot bezigde, daartoe bestemd te hebben; deze tijdelijke en onrechtmatig gegevene bestemming is niet die welke de wet liedoelt.

Wie geeft den sleutel zijne bestemming? Mij dunkt, hij die het recht heeft het slot te openen, d. i. de eigenaar van het voorwerp (huis, kamer, kist of kast) waaraan het slot zich bevindt, of hij aan wien het gebruik is afgestaan. Deze laatste vervangt den eigenaar en is gedurende den tijd van het gebruik de eenig gerechtigde, met uitsluiting ook van den eigenaar behoudens het geval van medegebruik.

Sluiten