Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

De slotwoorden „tenzij de wet anders bepaalt" sluiten ook elke bevoegdheid tot afwijking van de hier bedoelde bepaling bij verordeningen uit.

In het ontwerp der Staatscommissie, alsook in dat hetwelk aan het oordeel van den Raad van State werd onderworpen, werd ook toegelaten dat verordeningen „anders" zouden kunnen bepalen; tengevolge van eene opmerking van den Raad van State werd dit verbeterd.

Onder „de wet" is ook het wetboek van strafrecht zelf begrepen.

In de Memorie van toelichting werd daarop gewezen met betrekking tot art. 71, dat uit zijnen aard tot de daarbij genoemde strafbare feiten is beperkt; hetzelfde geldt van art. 4 1"—'1", •">, 6 en 7.

2. Wat hier de tegenstelling tusschen wet en verordening beteekent, is duidelijk. Wet is de rijkswet, daaronder begrepen al wat kracht van wet heeft als vastgesteld of executoir verklaard door het gezag dat bij de vaststelling of executoirverklaring rijks wetgevende macht bezat i), verordening is het wettelijk voorschrift buiten de wet (zie aanteekening 1 op art. 42).

3. Het artikel spreekt van feiten, waarop l>ij andere wetten of verordeningen straf is gesteld. Hier zijn uit den aard der zaak alleen bedoeld straffen als vermeld worden in den tweeden titel van liet eerste boek, met uitsluiting van hetgeen men disciplinaire straffen noemt. Mocht echter te eeniger tijd eene wet eene nieuwe straf stellen op eenig feit, dan zal ook dit onder de in art. 91 bedoelde feiten behooren.

4. In onze wetgeving is één voorbeeld bekend van overtreding zonder straf, n.1. de eerste overtreding van de wet van 10 September 1853, Stbl. 102, waarvoor de dader volgens art. 9 enkel wordt verklaard in stiijd met de wet te hebben gehandeld.

Trouwens juist omdat hier geene straf wordt opgelegd, is toepassing van de bepalingen der acht eerste titels moeielijk denkbaar, en brengt dus het achterwege laten van eene bijzondere regeling voor dit geval geen bezwaar te weeg2).

1) Memorie van toelichting op de Invoeringswet, feiuidt V, eerste druk 20.!, tweede druk (i<>.

2) Polenaar en Heemskerk, aanteekening 2 en volg., treden in uitvoerige beantwoording van de vraag wat bijv. naar fiscale en militaire wetten rechtens zal zijn omtrent de strafbaarheid van poging en medeplichtigheid nevens het misdrijf, wanneer die strafbaarheid niet uitdrukkelijk is bepaald, nu art. 78, als in den negenden titel voorkomende, niet valt onder het bereik van art. 91. Die beschouwingen hangen samen met hunne opvatting van de heteokenis van art. 78; zie aanteekening 1 op dat artikel hiervoren.

Sluiten