Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

N A S C H R I F T.

Het gemis aan overeenstemming tusschen twee arresten van den Hoogen Raad, behandeld aan het slot van aanteekening 14 op art. 38 en 34, schijnt zijne verklaring te moeten vinden in liet arrest van 16 November 1903, Wbl. 7996, waarbij in aansluiting bij de jurisprudentie op de jachtwet wordt beslist dat verbeurdverklaring van voorwerpen waarmede overtreding is gepleegd, in een afzonderlijk artikel op overtreding van in andere artikelen verspreide bepalingen gesteld, de vonnissen wegens zulke overtredingen appellabel maakt onverschillig of er in conereto voor de verbeurdverklaring vatbare voorwerpen zijn.

Maar eerste voorwaarde hiervoor zal dan toch wel zijn dat de mogelijkheid van het beslaan van zulke voorwerpen aanwezig is. Bestaat nu de overtreding als in de hier bedoelde gevallen alleen in het hebben van iets ter verbodener plaatse, dan is er volgens het arrest van 13 October 1902 geen voorwerp waarmede het strafbare feit is gepleegd; voor dat geval is de bepaling betreffende verbeurdverklaring dus niet geschreven en kan zij de appellabiliteit niet beheerschen.

Sluiten