Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Het ontwerp-antwoord gewaagde, zoo verklaarde de heer de Brauw, van de wet op het onderwijs, omdat alléén daarvan in de troonrede gecne melding werd gemaakt. Men meende, zei hij, dat 't geen geoordeeld werd te ontbreken bepaaldelijk genoemd behoorde te worden.

Ik meen, Mijnheer de Voorzitter, dat hetzelfde misverstand, dat ik straks bestreed, terug wordt gevonden in de laatste woorden van den geachten rapporteur. De zinsnede waarop het antwoord zou worden gegeven, zegt: „De wetten op het gemeente- en armbestuur, en de onteigening ten algemeenen nutte zijn ontworpen. Deze ontwerpen, benevens die op het recht van vereeniging en vergadering, op de verantwoordelijkheid der Ministers, en op de nieuwe rechterlijke inrichting zullen u weldra worden voorgelegd." Er wordt in deze zinsnede geen onderscheid gemaakt tusschen ontwerpen die meer en die minder gereed zijn, geen onderscheid tusschen ontwerpen die vroeger, en andere, die later zullen worden aangeboden. De eenige reden waarom niet gesproken is van een ontwerp van wet op het onderwijs, is die welke ik straks heb opgegeven, dat namelijk dit ontwerp nog niet zoover is gevorderd als die welke hier genoemd worden. En de eenvoudige oorzaak waarom zulks het geval niet is, ligt hierin, dat het ondoenlijk is bevonden alles tegelijkertijd te verrichten, en men wenschte dat de Koning in deze troonrede alleen zou toezeggen wat voor eene aanstaande, voor eene onmiddellijke vervulling vatbaar was. Zoodra deze ontwerpen zullen zijn aangeboden, zal er tijd en gelegenheid komen, om ten aanzien van het ontwerp van wet op het onderwijs, de voorbereiding, die sedert lang is begonnen, te vervolgen, eene voorbereiding, welke leiden moet tot het eind waartoe de ontwerpen, in de troonrede met name genoemd, reeds zijn gebracht.

Het amendement van den heer v. Beeck Vollenhoven wordt met 23 tegen - stemmen verworpen.

Tweede Kamer. 17 October. Adres van antwoord oi* de troonrede. S !l.

Het kabinet, in November 1840 aan het bewind gekomen, was met ijver aan het werk getogen. Toch had het in één jaar niet alle voorstellen van wet, van welke de grondwetgever de indiening binnen uiterlijk twee jaren had voorgeschreven, kunnen aanhangig maken; art. 5 der add. bep. van de grondwet bleef gedeeltelijk onuitgevoerd. De oppositie, de vrienden der vorige regeering, sommigen met kwalijk verborgen spijt, wees slechts op hetgeen nog te doen stond; wat gedaan was, werd weinig geteld. Waarom voldeed de regeering niet aan het 5de der add. artt.? Dit ware, merkte de heer van Goltstein op, toch niet moeilijk geweest, daar de bouwstoffen schier alle gereed lagen. Mocht men de verschillende ontwerpen thans spoedig verwachten of rekende de regeering, nu de termijn, in art. 5 add. bep. gesteld, verstreken was, zich soms geheel vrij? Wet op het onderwijs. Willekeurige toepassing van de wet van 18()(ï; de heer van Dam van Isselt verwijt den minister aan den een te hebben toegestaan, wat hij den ander verbood. Kon het staatsexamen bij kon. besl. worden afgeschaft, niettegenstaande de grondwet wettelijke regeling verlangde? Volgens den heer Groen ontwijkt de minister

Sluiten