Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

legt, niet willekeur zichtbaar is, maar alleen een onderscheid van oordeel ten aanzien van het karakter van het besluit van 1842. Ik houde dat besluit, zoover het punt dat de geachte spreker heeft aangeroerd, betreft, niet voor onwettig. De geachte spreker heeft zich beroepen op art. 12 van de wet van 1806, waar gezegd wordt: „Geen lagere school zal ergens, onder welken naam ook, mogen bestaan of opgericht worden_, zonder uitdrukkelijke vergunning van het respectief departementaal, landschaps- of gemeentebestuur, na vooraf gevraagde inlichtingen en bedenkingen van den schoolopziener van het district of de plaatselijke schoolcommissie." Nu heeft de Koning in 1830 een besluit genomen hetwelk de geachte spreker houdt voor wettig, waarbij in art. 1 gezegd wordt: „De autorisatie, bij de thans bestaande verordeningen vereischt tot het oprichten van lagere scholen, zal voortaan in het geheele Rijk verleend worden, in de steden door de stedelijke besturen, en ten platten lande door de plaatselijke besturen, onder goedkeuring van Gedeputeerde Staten der provincie."

De geachte spreker heeft gezegd dat hij dit artikel hield voor eene wettige uitvoering van de wet van 1806. Mijne Heeren, zoo dit juist is, en ik houd het voor juist, dan mag, meen ik, als niet minder wettig worden beschouwd art. 6 van het besluit van 1842, waar men leest: „Bij uitbreiding, in zooverre, van art. 1 van het Koninklijk besluit van den 27ste" Mei 1830 (Staatsblad n°. 9), zal, wanneer iemand zich, hetzij aan het stedelijk, hetzij aan het gemeentebestuur mocht hebben geadresseerd ter verkrijging van vergunning tot oprichting eener lagere school, en dat verzoek niet mocht zijn ingewilligd, de adressant zich kunnen wenden tot de Gedeputeerde Stdten der provincie, welke alsdan, na het betrokken bestuur te hebben gehoord, naar bevind van zaken, de weigering zullen kunnen handhaven, of wel de oprichting der school zullen kunnen inwilligen."

Ik zie in dit art. 6 niets hoegenaamd dat strijdig zou zijn met de algemeene beginselen van art. 12 der wet van 1806. Art. 12 spreekt evenzeer van het departementaal of landschaps-, als van het gemeentebestuur. De verdeeling der rollen tusschen het provinciaal en het gemeentebestuur kon dus nader worden aangewezen. De Raadpensionaris had die aanwijzing kunnen doen; hij heeft ze niet gedaan. Zij is gedaan bij het Koninklijk besluit van 1830, dat de geachte spreker voor wettig houdt. De verdeeling is eenigszins anders geregeld bij het besluit van 1842. Dit laatste is eene afwijking van het besluit van 1830, maar niet van het algemeen voorschrift van art. 12 van de wet van 1806. Datzelfde wat in art. 6 van het besluit van 1842 is gezegd. had mijns inziens even goed in dat besluit van 1830 kunnen zijn opgenomen ; het besluit van 1842 verschilt van het besluit van 1830 niet verder dan de bevoegdheid, uit art. 12 der wet van 1806 ontleend, het gedoogde. Indien art. 12 van de wet van 1806 do tusschenkomst van de Provinciale Staten in eene beslissing door gemeentebesturen te

Sluiten