Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

nemen of genomen, uitsloot, ik geloof de geachte .spreker zou gelijk hebben. Maar art. 12 van de wet van 1806 noemt èn provinciaal èn gemeentebestuur, zonder te zeggen dat aan het eene bestuur boven het andere, of bij uitsluiting, de beslissing zal toekomen. Ik meen dus, dat men in art. 12 van de wet van 1806 geen schijn vindt waaruit men zou kunnen afleiden dat art. 6 van het besluit van 1842 met die wet niet zou overeenstemmen. Art. 6 van liet besluit van 1842 behoort tot die bepalingen, welke de wet van 1806 aan de uitvoerende macht heeft overgelaten.

Ik heb alzoo het besluit van 1842 niet aangemerkt als in strijd met de wet van 1806. Dwaal ik, vergis ik mij daarin, is inderdaad dat besluit van 1842 strijdig met de wet van 1806, dan is het van mijne zijde geen willekeur die mijne handelingen geleid heeft, maar dwaling, en zelfs dan heb ik de aantijging van den spreker niet verdiend, (reen oogenblik zou ik hebben geaarzeld de erkenning van het besluit van 1842 4e weigeren, indien ik daarin strijd met de wet van 1806 gevonden had.

In de tweede plaats heeft de geachte spreker gezegd, dat een besluit van Gedeputeerde Staten is goedgekeurd door den Minister, die, bij zijne meening over de betrekking tusschen Gedeputeerde Staten en de volle Staten-vergadering, dat besluit niet behoorde te hebben goedgekeurd. De geachte spreker heeft een feit aangevoerd, dat in°deze provincie is gebeurd, alvorens ik in mijne tegenwoordige betrekking was. De Gedeputeerde Staten hebben de oprichting van eene school" waartoe aanvrage gedaan was, eerst geweigerd en later toegestaan. Zoo de zaak mij juist bekend is, hetgeen ik niet durf verzekeren, geloof ik, dat die verandering eenvoudig aan verandering van het personeel is toe te schrijven. Het vorig personeel was tegen de oprichting van dergelijke school en het nieuwe personeel was gunstig daaromtrent gestemd. Nu hadden de Staten zich verklaard tegen zoodanige bevoegdheid als dat latere pollege van Gedeputeerde Staten zich inderdaad toekende. De Minister van zijne zijde heeft verklaard dat do Gedeputeerde Staten verantwoordelijk zijn aan de volle Staten-vergadering. De Minister, het laatste besluit van Gedeputeerde Staten goedkeurende, heeft dus in strijd met dat beginsel gehandeld.

Dit was de redeneering van den geachten spreker. Hij heeft, zoo xk mij niet vergis, mijn beginsel opgemaakt uit de provinciale wet. , J drukt inderdaad mijne overtuiging uit, dat de Gedeputeerden in hetgeen de provinciale huishouding betreft, verantwoordelijk zijn aan de Staten-vergadering, maar die wet is van dezen zomer; vóór dien tijd bestond zoodanige wettelijke verantwoordelijkheid niet; zij bestond vooral met, evenmin als zij zelfs nu bestaat, waar het geldt de uitvoering van algemeene wetten en verordeningen.

Dc geachte spreker heeft voorts gezegd, dat ik het besluit van Gedeputeerde Staten zou hebben goedgekeurd. Ik moet doen opmerken

Sluiten