Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Kepliek van den heer van Dam van ïsselt.

De geachte redenaar heeft zoo straks en nu weder gesproken over feiten. Bij mijn antwoord heb ik gemeend mij daarbij te moeten bepalen. Omtrent hetgeen de geachte spreker thans heeft gezegd, ben ik verplicht, ten aanzien van drie punten nog een enkel woord als opmerking in het midden te brengen.

De geachte spreker heeft in den aanvang zijner rede zijne bevreemding te kennen gegeven, dat ik mijne daden zoude willen verschoonen, door mij er op te beroepen, dat dergelijke zaken door mijne voorgangers waren gepleegd. Mijne Heeren, ik meen juist het tegendeel te hebben gezegd; en zoo ik het niet had gedaan, ik moest het tegendeel hebben gezegd; want het is geheel en al mijne overtuiging. Geene enkele daad van een mijner voorgangers is door mij gevolgd, wanneer die daad in mijn oog was onrechtvaardig of onwettig. Ik heb mij niet verdedigd door het voorbeeld, dat mijne voorgangers hadden gegeven; maar ik heb mij gerechtvaardigd hiermede, dat, naar mijne overtuiging, het besluit van 1842, in zoover het punt betreft dat door den geachten redenaar is aangevoerd, niet strijdt met de wet van 1806, waarop het is gegrond.

In de tweede plaats heeft de geachte spreker gezegd, dat hij, wat de betrekking tusschen de Gedeputeerde Staten en de Statenvergadering betreft, meende te mogen inroepen niet juist wat in de wet geschreven staat, maar wat reeds vroeger in mijn gemoed huisvestte. Maar, Mijne Heeren, wat in mijn gemoed is kan, zoo het mij voorkomt, eerst dan regel worden voor den Minister, wanneer het berust op eene stellige wettelijke bepaling. Bij zulk eene gemoedelijke handelwijze, die de spreker schijnt te willen buiten de wet, zou hij, meen ik, mij terecht kunnen beschuldigen van datgene, wat hij mij thans ten onrechte ten laste legt.

In de derde plaats heeft de geachte spreker gezegd, dat ik dat Geldersche reglement verkeerd had gelezen. Mijne Heeren, ik heb het aangehaald artikel niet meer voor den geest, maar het, toen over de zaak gehandeld werd, meer dan eens, nauwkeurig gelezen. Mijne correspondentie met de Gedeputeerde Staten van Gelderland is, dat weet ik zeer goed, niet met éénen brief afgeloopen. Ik kan een verkeerd besluit uit het artikel hebben getrokken, maar de lezing is niet vluchtig geweest. De geachte spreker heeft gezegd, dat ik zoude verklaard hebben, dat het schoolreglement onwettig was. Ik herinner mij dat niet; al wat ik mij herinner is, dat ik meende, dat het artikel anders moest worden opgevat dan het door Gedeputeerde Staten werd verstaan. Dat ik verklaard zou hebben, dat het bedoelde reglement in mijn oog onwettig was, dit kan ik niet aannemen alvorens ik het zie. Al wat ik mij herinner, komt neder op een verschil van begrip ten aanzien van den uitleg van dat reglement.

Sluiten