Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

verboden? Hij heeft die, meen ik, aangenomen als wettig bij art. 24 van de wet op de Rekenkamer. Volgens dat artikel is tot dusver deze wet uitgevoerd, en in dezelfde onderstelling is deze aanvulling der begrooting van 1843 ontworpen, en naar ik meen is ook in diezelfde onderstelling over dit wetsontwerp in de afdeelingen beraadslaagd; hetgeen ik althans uit het verslag moet afleiden. De geachte redenaar, die het laatst het woord heeft gevoerd, heeft wel bijgebracht, dat in het verslag eene uitdrukking daaromtrent is opgenomen, eene uitdrukking, waarop ik wel heb gelet, maar zij kwam mij voor te slaan op de weinig regelmatige wijze, waarop die overschrijvingen hadden plaats gehad, en niet op de zaak zelve, of als afkeuring van die overschrijvingen zelve. Het is dus niet, om een verbod van den wetgever, hetwelk niet bestaat, te ontduiken; het is integendeel om de overschrijving strenger dan tot dusver plaats heeft gehad te regelen, dat het wetsvoorstel is veranderd.

Voorts heeft de geachte redenaar uit de hoofdstad drie punten aangevoerd , waarin hij zoovele bedenkingen vindt tegen het ontwerp. De eerste dier bedenkingen betreft het hooge cijfer voor onvoorziene uitgaven. Mijne Heeren, indien het mogelijk was, dergelijke posten, posten, zooals zij hier voorkomen, met juistheid, met meer wisheid te ramen, dan mij, en ik geloof ieder deskundige mogelijk is, zoude ik mij gaarne met een minder cijfer vergenoegen. Ik beroep mij op den aard der hier bedoelde posten en durf aan elk vragen, of uitgaven, zooals hier worden opgesomd, voor welke bijv. ter voorziening in de behoeften van Rijnlands uitwatering, de verruiming van het Katwijksche kanaal en van den Rijnsburgschen vliet, met de daartoe behoorende sluis- en brugwerken, stoomgemaal, sluis en boezem te Spaarndam, mitsgaders de verruiming van het Spaarne, leverantie van stoomwerktuigen ter uitinaling van het meer, stichting van gebouwen, verkaveling van droog te maken landen, of dergelijke uitgaven, die zoovele vertakkingen hebben, gelijk in de memorie van toelichting is aangewezen, anders kunnen worden geraamd dan bij wege van onzekere schatting? Ik meen ook te mogen vragen, of bij het overleg in de afdeelingen iemand uwer heeft gedacht, dat deze posten op zulke vaste gronden steunden, dat er bij de uitvoering niet van kon worden afgeweken. Ik geloof, dat, den aard van al deze posten in aanmerking genomen, de uitvoering ondenkbaar is, wanneer men juist aan de opgegeven cijfers moet hechten, tenzij men telkens bij de wetgevende macht moet komen zeggen: op dezen post is tot dusver zooveel over, op dien post komt dat te kort; ik vraag dus machtiging daarop te mogen overschrijven. Ik verzoek hierbij in acht te nemen, dat de werken, waarop het hier aankomt, reeds in geregeld bestek gebracht, veel minder aanbesteed zijn.

In de tweede plaats meen ik te mogen beweren, dat eene begrooting op de nu voorgestelde wijze ingericht, zoodat overschrijving

Sluiten