Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

moeten geven hetgeen verlangd wierd. Aan mededinging toch te dezer plaatse voor dergelijke onderneming zou niet te denken zijn.

De heer Blussé meent dat bij vrije concurrentie in ons land alle denkbeeld van overgeleverd te zijn, moet wegvallen.

Mijne heeren, ik ben aan niemand liever overgeleverd dan aan dc vrije mededinging, maar ik vraag of vrije mededinging te dezen aanzien, ten aanzien van dit onderwerp, in deze plaats, denkbaar zou zijn. Ik ben het minst gaarne overgeleverd aan monopolie; een monopolie, geloof ik, zou inderdaad de uitkomst zijn, zoo bij een particulier wierd aanbesteed hetgeen nu door de Landsdrukkerij verricht wordt.

12 December. Staatsbegrooting voor het dienstjaar 1851. Algemeene beraadslaging.

De discussiën hadden vier dagen in beslag genomen. Na de redevoeringen zijner ambtgenooten had de minister van B. Z. nog slechts enkele punten aan te roeren. Opvolging van het ministerie aan het vorig kabinet. Men zeide: de oppositie had de vorige regeering door eenen onbillijken strijd doen vallen. Wie echter bestreden het vorige gouvernement? en op welke gronden? 1'olitische richting der regeering. Kon deze nog onbekend zijn ? Het programma bleek uit de aangenomen wetten en uit de richting der tegenstanders. Betrekking van het ministerie tot de Kamer. De heer Mackay beweerde, de regeering was niet constitutioneel maar conventioneel. Mocht men van de regeering eene oprechte uitvoering van de grondwet verwachten? De heer v. Goltstein betwijfelde dit; immers, zoo betoogde hij, de minister van B. Z. streefde naar volkssouvereiniteit, terwijl men bij de grondwetsherziening niet van dit beginsel was uitgegaan. Kon art. 23 der grondwet omtrent dit punt iets beslissen? Handhaving van het ministerie door de inconsequentie zijner vrienden en de grootmoedigheid zijner bestrijders? Crediotwet van 6 of 9 maanden in plaats van begrooting.

Mijnheer de Voorzitter! Ik heb mij zeiven gevraagd, of ik na hetgeen ik in deze vier dagen heb gehoord, het woord nog zoude opvatten. Volstrekt noodig schijnt het mij niet. Sommige punten, in den loop dezer discussie ten aanzien der begrooting van Binnenlandsche Zaken in het midden gebracht, worden, meen ik, beter, meer overeenkomstig de orde behandeld, wanneer het hoofdstuk in beraadslaging zal zijn. En bij die gelegenheid zal ik bijzonder gaarne èn met den spreker uit de hoofdstad, en met eenige andere sprekers, mij begeven in eene vergelijking van die begrooting zooals zij is voorgesteld voor het volgende jaar, met vroegere. Die punten thans daargelaten, wat is erna de rijke rede van mijn ambtgenoot, naast mij gezeten, overgebleven? •Ta, de naam van den Minister van Binnenlandsche Zaken weergalmde in deze discussie dagelijks en bijkans ieder uur. Deze discussiën zijn geweest rijk in persoonlijke, ik zal niet zeggen aanvallen, maar aan-

Sluiten