is toegevoegd aan je favorieten.

De onuitgegeven parlementaire redevoeringen van Mr. J. R. Thorbecke

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

althans niet naar waarde te schatten. Ik moet in de derde plaats doen opmerken dat de Minister van Binnenlandeche Zaken in den administratieven omgang met de provinciën en de gemeenten nagenoeg dagelijks ten doel staat aan al die bezwaren, aan al die eischen die uit de bijzondere belangen van de provinciale en van de gemeentelijke huishouding voortvloeien; dat ieder wil dat zijne belangen bovenal door den Minister worden behartigd. Ik moet in de vierde plaats daarbij voegen dat, hoe genegen men ook zij de zelfstandigheid van de provinciën en gemeenten te eerbiedigen, en derhalve de werking van het algemeen bestuur zoover te beperken dat die zelfstandigheid gaaf blijve, hoe genegen men daartoe ook zij, evenwel de perken van de werkzaamheid van het toezicht, door den geachten spreker uit Utrecht zoo genoemd, niet te nauw mogen worden getrokken.

Ik behoef nauwelijks te zeggen, dat de provinciale en gemeentebesturen daartoe steeds genegen zijn, die perken zeer nauw te trekken, en daarentegen de perken hunner huishoudelijke vrijheid gaarne uitbreiden. Meer dan eens heb ik het misverstand ontmoet , hetgeen mij ook voorkwam aan de vertoogen van den geachten spreker uit Utrecht ten gronde te liggen, dit misverstand, dat daar, waar de Kroon door de Grondwet of door de wet geroepen is om mede te werken tot de regeling van de provinciale en plaatselijke aangelegenheden, zij niets anders te doen heeft dan te waken dat de algemeene wetten, dat de algemeene belangen geene schade lijden. Dit is het beginsel, Mijne Heeren, door de Grondwet gesteld in dat artikel, waarbij aan de Kroon de bevoegdheid wordt toegekend om de besluiten van de Provinciale Staten even als van de gemeentebesturen te schorsen of te vernietigen. Zeer terecht heeft de Grondwet daar het beginsel van het toezicht, van de controle der Kroon niet verder uitgestrekt. Maar, wanneer de Grondwet, wanneer de wet de Kroon beveelt met de provinciale of gemeente-vertegenwoordiging, verordeningen of reglementen vast te stellen, is daar het recht, de roeping van de Kroon binnen diezelfde grenzen beperkt? Ik geloof het niet, Mijne Heeren. De Kroon, geroepen om eene provinciale verordening mede vast te stellen, is een tak van de provinciale wetgevende macht. Het gebeurt, dat het belang van de provincie door de nu zittende vertegenwoordiging, dat het belang van de gemeente door het nu aanwezige bestuur wordt miskend; het gebeurt, dat tegen voorstellen, tegen ontwerpen, tegen besluiten van de provinciale vertegenwoordiging of het gemeentebestuur vertoogen door de ingezetenen worden geleverd, vertoogen, die duidelijk aantoonen, dat dit belang niet naar behooren is gewaardeerd. Het gebeurt, dat tegen zoodanige besluiten vertoogen inkomen van naburige gemeenten, van naburige provinciën; is de Kroon niet geroepen daarop te letten? Moet het Gouvernement, omdat de Provinciale Staten eene verordening hebben voorgelegd, omdat een gemeentebestuur goed vond tot invoering eener belasting te besluiten,