is toegevoegd aan je favorieten.

De onuitgegeven parlementaire redevoeringen van Mr. J. R. Thorbecke

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Een geacht spreker uit Groningen heeft over het algemeen zoodanige uitgaven, die hij productief noemt, togen de improductieve in zijne bescherming genomen. De geachte spreker begreep, dat eene begrooting de uitgaven, die hij improductief noemt, niet geheel kan missen, maar hij wenscht, dat de productieve uitgaven meer en meer het overwicht verkrijgen. Ik ben, Mijne Heeren, van het gevoelen van den geachten spreker, en ik hoop straks aan te toonen dat deze begrooting daarvan de blijken draagt. Zijn deze niet zoo menigvuldig, als men wellicht wachtte en ik zou wenschen, de reden is hierin te zoeken, dat in een jaar niet alles kan worden gedaan.

Ik geloof, Mijne Heeren, dat het Gouvernement verplicht is publieke werken inzonderheid voor te staan, te beschermen, te hulp te komen. Ik geloof, dat te dien opzichte niet mag gelden eenig aanzien vjtn provincie. De geachte spreker uit Groningen heeft aangedrongen op onpartijdigheid; niet Holland moest worden begunstigd, zeide hij, omdat Holland dichter bij was, maar Groningen had dezelfde aanspraak. Niemand zal het betwisten; en ik durf den geachten'spreker verzekeren, dat zoolang ik de eer zal hebben aan het hoofxl van dit departement te zijn, geenerlei beschuldiging van partijdigheid met eenigen grond zal kunnen worden ingebracht. Dit Gouvernement, Mijne Heeren, streeft niet populair te zijn, doch zoo het niet naar populariteit tracht, het zal evenmin zekere streken, zekere provinciën, zekere klassen der maatschappij boven andere begunstigen.

De geachte spreker heeft inzonderheid eenige belangen van scheepvaart en waterstaat van de provincie waarvan hij ingezeten is, in herinnering gebracht. Ik heb mij ook uit dien hoofde over onze nieuwe provinciale wetgeving verblijd, omdat ik meen, dat zij ons meer en meer organen in de provinciën zal schenken, die wij als de ware stem, als de ware vertegenwoordiging van de provinciën mogen beschouwen, die dus het Gouvernement zal opmerkzaam maken op datgeen wat het Gouvernement daar heeft te doen. Wanneer dergelijke stemmen tot mij komen, inzonderheid daar, waar het bevordering van stoffelijke belangen of de zaak van het onderwijs in den ruimsten zin van het woord geldt, geef ik den geachten spreker de verzekering, dat op die stemmen zal worden gelet, dat op hetgeen zij vragen een antwoord, een voldoend antwoord zal worden gegeven, en, voor zoover het in de macht zal zijn van het Gouvernement, afgemeten naar de middelen die het bezit, een uitwerksel zal volgen.

In de vierde plaats, Mijne Heerén, is de opmerkzaamheid gericht op het belang van den waterstaat, en heeft ook nu een geacht spreker, de afgevaardigde uit Delft, in zijne belangrijke rede dat punt aangeroerd en op regeling door de wet aangedrongen. De Minister van Binnenlandsche Zaken, Mijne Hoeren, is zoo zeer als iemand in staat om de behoefte aan eene dergelijke wet levendig te gevoelen. Het voorbeeld, dat de geachte spreker heeft bijgebracht, hier uit de nabij-