Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

het brengen op de begrooting van kosten voor hetgeen men heeft gelieven te noemen: eene buitengewone verbetering onzer rivieren. Het zij mij veroorloofd daarop te antwoorden, wanneer de afdeeling waaronder die kosten behooren, aan de orde zal zijn gesteld.

Een geacht spreker, de afgevaardigde uit de hoofdstad, de heer van Hall, heeft in den loop van deze discussie over het hoofdstuk van Binnenlandsche Zaken op nieuw (de eerste reis reeds bij de algemeene beraadslagingen over de geheele begrooting) mij genoemd den duursten Minister van Binnenlandsche Zaken, dien het land sedert jaren gehud heeft.

Mijne Heeren, ik wil gaarne de duurste minister zijn, indien men erkent dat hetgeen ik vraag wezenlijk noodig is.

Ik moet over de begrooting van Binnenlandsche Zaken een paar algemeene opmerkingen vooraf laten gaan.

Vooreerst, dat niet weinig hoofd-onderwerpen, op deze begrooting voorkomende, in een voorloopigen toestand zijn, zoodat men aan eene eigenlijke hervorming van het cijfer, met betrekking tot die onderwerpen, op dit oogenblik niet kan denken, maar die onderwerpen moet aannemen in den staat, waarin zij nu zijn, of waarin zij op den eersten Januari van het jaar, waarvoor de begrooting is bestemd, zullen wezen.

De onderwerpen welke in een voorloopigen toestand verkeeren, zijn de nationale militie en de schutterijen, de medische politie, in de derde plaats, om de redenen die ik wellicht straks gelegenheid heb aan te voeren, de ijk van de maten en gewichten, het onderwijs, het armbestuur en de opperhoutvesterij of de jacht en visscherij. Derhalve wat die onderwerpen betreft, is er aan eene reorganisatie van de begrooting niet te denken, vóór de aanstaande wetgeving welke die takken van bestuur hervormen zal. Ik wil niet beloven, Mijne Heeren, dat eene bezuiniging op al die takken het gevolg zal zijn van die hervorming, maar voor het oogenblik moet men die takken van bestuur op de begrooting laten verschijnen voor hetgeen ze nu zijn.

In de tweede plaats, moet ik de aandacht der leden hierop richten (het is misschien onnoodig, wellicht echter ook niet onnut), ik moet de aandacht hierop richten, dat de posten, de onderwerpen, die op de begrooting van Binnenlandsche Zaken voorkomen, niet enkel zijn posten, onderwerpen, van uitgaaf, maar ook voor een gedeelte bronnen van inkomst. Wanneer ik te zamen trek de opbrengsten der wegen en vaarten, der akten van de jacht en visscherij, der Nederlandsche Staatscourant en die van het Staatsblad, de inkomsten van den ijk van de maten en gewichten en die van de rechten voor het verkrijgen van octrooien, dan bedraagt het geheele cijfer tusschen de negen ton en één millioen. Ik mag derhalve zeggen, dat het departement van Binnenlandsche Zaken niet alleen een departement is dat geld vraagt, maar een departement dat ook geld geeft.

Sluiten