Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

In de derde plaats, hetgeen te voren uit het fonds van den landbouw werd verstrekt, waartegen thans ƒ 20,000 ten behoeve der veeartsenijschool op de begrooting verschijnen.

In de vierde plaats, het bijzonder fonds van het kanaal van Voorne, dat zonder wet op de begrooting is gekomen, en dat haar nu sedert 1846, met ƒ 45,000 verhoogt.

Dit alles versterkt hetgeen de geachte spreker uit Nijmegen heeft gezegd, dat, namelijk, eene vergelijking, zonder op al die verschillen te letten, onzer begrooting met die vnn 1845 eene onbillijke beoordeeling wordt.

Ik zal nu niet vragen of de geachte spreker uit de hoofdstad, die de raming voor 1851 met de begrooting van 1845 heeft vergeleken, wel al die verhoogingen, welke bij latere wetten ten laste dier begrooting zijn gebracht, en welke nu met het cijfer zooals de begrooting toen was gesteld, moeten worden vereenigd, heeft in aanmerking genomen.

Het gevolg der bijvoeging van deze sommen bij de begrooting van 1845 zou zijn, dat deze daardoor gebracht werd op eene som van ƒ 4,342,000.

Eene andere algemeene opmerking, welke de vergelijking tusschen de begrooting voor 1851 en die van 1845, alsook die voor 1851 met die van 1849 aan de hand geeft te maken, slaat op hetgeen de spreker uit de hoofdstad in het midden beeft gebracht tengevolge van de tegenspraak die zijne eerste rede van de zijde van den spreker uit Nijmegen ondervond; het betreft den post van onvoorziene uitgaven.

De spreker uit de hoofdstad heeft beweerd, dat die ƒ 80,000 waren eene verhooging, eene vermeerdering, want dat vroeger die uitgaven gevonden werden uit de vier ton, ter bestrijding van de onvoorziene behoeften samengesteld uit besparingen, welke op de onderscheidene departementen waren gedaan. Hij heeft er bijgevoegd dat ieder departement uit het algemeen cijfer slechts zooveel kon ontleenen als dat departement tot dat cijfer had bijgebracht; bij voorbeeld, als het departement van Binnenlandsche Zaken ƒ 80,000 had bespaard, dan kon het ook over ƒ 80,000 beschikken; het kon niet over ƒ 90,000 beschikken, wanneer het niet meer dan ƒ 80,000 had bezuinigd. Hij heeft gezegd, dat het punt was geëtablisseerd in eene discussie in deze Kamer tusschen dien geachten spreker, toen Minister van Financiën, en een geacht vertegenwoordiger, den heer Gevers van Endegeest.

Ik geloof dat het „etablisseeren" van zoodanig punt in eene dergelijke samenspraak tusschen een minister en een lid van deze Kamer, niet kan worden gehouden voor beslist. Ik geloof — en wanneer ik zeg: „ik geloof" dan is dit eene bescheidene uitdrukking, want ik ben er zeker van — dat hetgeen de geachte spreker heeft gezegd op niet meer dan op een rvensch van den Minister van Financiën is uitgekomen. De Minister van Financiën wenschte wel, als goed reken-

Sluiten