Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

vinciale Staten daaromtrent met het Gouvernement in een vergelijk getreden, en hebben zij zich bereid verklaard om eene zekere som over te nemen op hunne begrooting; de zaak kwam tot stand. Nb brengen de Provinciale Staten van Utrecht dit subsidie op hunne begrooting van enkel provinciale en huishoudelijke uitgaven voor 1851; kan ik dit goedkeuren? Ik antwoord: „neen! Ik durf dit niet aan den Koning voorstellen; ik zal integendeel zorgen, dat de som, voorzoover zij noodig is, uit de Rijksbegrooting worde gevonden. Volgens het voorschrift toch der provinciale wet mogen zoodanige gelden op de provinciale begrooting niet voorkomen."

Dit noemt nu de geachte spreker inmenging in de provinciale aangelegenheden. Ik noem het eene strenge toepassing van de wet.

Wat heeft de geachte spreker bijgebracht als voorbeeld van inmenging der Regeering in de plaatselijke belangen? Hij is teruggekomen op hetzelfde punt, hetwelk ik meende reeds te hebben afgeweerd. De geachte spreker verwart twee zeer verschillende zaken: de samensmelting van gemeenten en het brengen van twee gemeenten onder één burgemeester, waarbij evenwel de huishoudingen dier gemeenten afzonderlijk blijven. Het vorige Gouvernement, zegt de geachte spreker, eerbiedigde zóózeer de zelfstandigheid van de gemeenten! Alsof men, vóór dat ik aan het Ministerie ben gekomen, nooit twee gemeenten had gebracht onder één burgemeester. Dit is zeer dikwijls gebeurd, en zelfs onder hetzelfde Ministerie tijdens welks beheer de discussie heeft plaats gehad, waarop de geachte spreker zich heeft beroepen. De spreker rekent het dat Gouvernement als eene bijzondere eer aan, dat het verklaarde te zeer de zelfstandigheid van de gemeenten te eerbiedigen, om aan eene ineensmelting van gemeenten te denken. Vooreerst is er hier geen sprake van ineensmelting, maar alleen van het stellen van eene of meer gemeenten onder één hoofd, gelijk mijne voorgangers zoo dikwijls gedaan hebben; en in de tweede plaats getuigt dat antwoord van de toenmalige Regeering niet van eerbied voor de zelfstandigheid der gemeenten. Zij gevoelde, evenzeer als het tegenwoordige Gouvernement, de behoefte om gemeenten te vereenigen; maar wanneer die Regeering zich in haar antwoord beriep op het besluit van 1 Maart 1831, en verklaarde de zelfstandigheid der gemeenten te zullen eerbiedigen, dan was dit niets anders dan een middel om zich te redden uit eene vergissing, om niet te bekennen: wij hebben ons vroeger verkeerd uitgedrukt. Men beriep zich op dat besluit van 1881 vruchteloos; want dit kon geenszins beletten de maatregelen tot splitsing of vereeniging van gemeenten, wier heilzaamheid men zelf erkende, te nemen.

In de derde plaats heeft de geachte spreker mij beschuldigd van inmenging in particuliere belangen, en als bewijs daarvan bijgebracht, dat ik bij mijn departement eene bijzondere afdeeling voor de nationale nijverheid had hersteld. En waarom zou ik dit gedaan hebben? Tot

Sluiten