Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

commissie niet juist aan het licht bracht, dan zou die commissie kunnen zeggen: wij hebben een dienst gedaan aan het Gouvernement en die wordt niet behoorlijk erkend. Maar, zoolang men het verslag niet openbaar maakt omdat men er zelf nog partij van tracht te trekken en men zelfs voornemens is de commissie later glansrijk te rechtvaardigen, ten aanzien van de diensten, die zij aan het Gouvernement heeft bewezen, zoolang, geloof ik, kan men uit deniet-openbaarmaking niet het beweren ontleenen, dat een recht, hetwelk de commissie zou hebben, is voorbijgezien of gekrenkt.

Volgens den lieer Godefroi, lid der commissie, zoude, dooi- tussclienkomst van haren voorzitter den minister liet stellig verlangen der commissie kenbaar zijn gemaakt, dat liet geheele rapport openbaar mocht worden. Subsidie voor de provinciale commissie van geneeskundig toevoorzicht in Noordholland. Pharrnacopoea.

Ik moet mijn verhaal weder beginnen, waar ik eerst aanving. Ik moet den geachten spreker (den heer Godefroi) en de Kamer doen opmerken, dat ik nooit geweest ben in eenige rechtstreeksche correspondentie met die medische commissie. Al hetgeen te dien aanzien is voorgevallen, is geschied in gesprekken tusschen den voormaligen president dier commissie, tegenwoordig mijn ambtgenoot voor de Buitenlandsche Zaken. Wat er kan zijn gebeurd tusschen die commissie zelve en haren voorzitter, is mij te eenenmale onbekend, maar er is bij mijn departement, zooveel ik weet, geen schriftelijk stuk aanwezig, waaruit een dergelijk verlangen van de commissie blijken zou. En nu moet ik zeggen, dat, wanneer de commissie van een ander begrip was geweest dan de voorzitter, het dan bevreemdend is, dat, toen een deel van haren arbeid, een deel dat eigenlijk niet tot hare taak behoorde, maar door haar uit eigen beweging was opgenomen, gedrukt was, — dat zij zich toen niet tot den Minister wendde en den wensch te kennen gal, dat het geheele werk zou worden publiek gemaakt. De uitgave van dat deel, zonder dat de commissie eenig verlangen te kennen gaf, moest althans de overtuiging versterken, welke ik had, dat zoodanige wensch bij de commissie niet bestond. Het is waar, eenige weken geleden, heeft de Minister van Buitenlandsche Zaken, voorzitter der commissie, mij gezegd, dat er leden waren in die commissie, die wel zouden wenschen dat haar arbeid geheel publiek wierd gemaakt, niet dat de commissie dit wenschte. De voorzitter der commissie heeft mij dat gezegd en het is daarbij gebleven. De Minister heeft mij dat gezegd, ik geloof in deze Vergadering, op een oogenblik dat er geen gelegenheid was over de zaak verder te spreken. Maar ik heb geen officiëel stuk ontvangen, niet kunnen delibereeren, niets van de redenen vernomen die tot het uiten van den wensch aanleiding gaven. De commissie, zoo zij stellig wenschte de publiekmaking, kon, met opgave van redenen, zich wenden tot mij, en zou, evenals elk ander, gehoor bij mij vinden.

Sluiten