Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Ik geloof daarbij nog dit te moeten voegen, dat ik niet meen de Vergadering gebracht te hebben onder den indruk, alsof ik van de commissie gehoord, officiëel vernomen had, gelijk een Minister pleegt te vernemen, dat de commissie niet wenschte dat haar arbeid publiek wierd gemaakt. Ik heb niet meer gezegd, dan hetgeen ik zoo even verhaalde, namelijk dat de Minister van Buitenlandsche Zaken mij zeide, dat de commissie begreep, dat de publiekmaking was onnoodig, dat zij er in het geheel niet op stond, daar het werk van zoo grooten omvang was.

De geachte spreker heeft vervolgens inlichtingen verzocht op twee punten. Hij vroeg vooreerst: waarom is als subsidie voor Noordholland wederom ƒ 2200 uitgetrokken, daar toch de commissie te Amsterdam is vervallen? Mijne Heeren, de reden is eenvoudig deze, omdat, zooals ik hoop, met 1°. Januari eene nieuwe commissie te Amsterdam zal ■ optreden. Het ressort van de medische commissie, die te Haarlem resideert, is alleen tot den afloop van dit jaar toe bij Koninklijk besluit over geheel Noordholland uitgebreid. Met ultimo December houdt die bevoegdheid op en in den werkkring van de voormalige commissie zal, zoo ik vertrouw, treden eene nieuwe commissie. Men heeft daarvoor derhalve dan weder f 2200 noodig, vermits er dan wederom twee commissiën zullen bestaan.

In de tweede plaats heeft de geachte spreker inlichtingen verzocht omtrent hetgeen voorgevallen was met het drukken van de Pharmacopoea. In de memorie van antwoord is eene korte hütoria facti gegeven. Het papier dat bestemd was door den voormaligen directeur, bleek bij onderzoek, zoodra de tegenwoordige directeur van de Landsdrukkerij aan het hoofd der instelling kwam, onbruikbaar te zijn voor zijne bestemming. Het mag niet zijn machinaal papier, het moet zijn zoogenaamd handpapier, en dit kan in den loop van den winter niet worden vervaardigd: men moest daarmede wachten tot in het voorjaar. Nu vraagt da geachte spreker of die verbeteringen, welke door de leden der commissie gemaakt waren in de proeven, niet wellicht aanleiding zouden moeten geven tot eene herziening bij de wet vast te stellen. Mijne Heeren, ik kan er alleen dit van zeggen, dat die proeven in den regel weken lang onder weg bleven, zooals zeer natuurlijk was, want die proeven gingen bij onderscheidene leden rond, dieniet allen in dezelfde plaats wonen en zij kwamen dan met eene menigte correctiën terug. Ik kan den aard dier correctiën niet beoordeelen, maar dit weet ik, dat mijn plicht mij gebiedt, om in hetgeen bij de wet is vastgesteld, ofschoon ook tegen mijne meening, want ik heb als lid dezer Kamer de wettelijke vaststelling der Pharmacopoea bestreden , geen verandering te doen brengen dan bij de wet ')• Wanneer

') Zie 1840—184'.!, blz. 221!.

Sluiten