Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Ken geacht spreker uit Noordbrabant (de heer Luijben) heeft bij deze gelegenheid aangedrongen op de noodzakelijkheid 0111 een plan van een kanaal van uitwatering voor Noordbrabant uit te voeren, waarvoor reeds verleden jaar op de begrooting eene som was uitgetrokken, die evenwel vervolgens daarvan weder weggenomen werd. Toen ter tijde is door het Gouvernement verklaard, dat het ten behoeve van die onderneming eene bijzondere wet zou voorstellen, zoodra het onderzoek, omtrent die zaak ingesteld, zou zijn afgeloopen. Mijne Heeren, mijn voornemen is hetzelfde als toen, maar het onderzoek is nog niet afgeloopen. Het bleek, dat hier en daar het verhang nauwkeuriger moet worden onderzocht, dan tot dusverre was geschied, en waterpassingen moeten worden gedaan. Daarbij is het nieuwe denkbeeld opgerezen, en dit wordt door zaakkundigen onderzocht, of het doenlijk zal zijn dergelijk uitwateringskanaal te vereenigen met een kanaal voor de scheepvaart. Dit onderzoek is hangende, en zal ten einde moeten worden gebracht, alvorens een daartoe betrekkelijk ontwerp, van welken aard dan ook, aan de Kamer zal kunnen worden voorgelegd. Zoo ik echter voorleden jaar levendig belang heb gesteld in het plan van dit werk, mijne belangstelling te dien aanzien is gewis na de rampen, in den afgeloopen winter ondervonden, niet verminderd.

Ken geacht spreker uit Limburg (de heer van Wylick) heeft eene bedenking geopperd tegen dat gedeelte van het plan, dat strekken zou ter beteugeling van het kanaal van St. Andries. De geachte spreker meende, dat zulks nadeelig zou kunnen zijn voor de rivier de Maas, dat deze rivier daardoor zou kunnen verzanden, en dat wellicht de uitvoering van dat plan niet mag geacht worden te zijn in het belang van de scheepvaart. Ik geloof, dat ik in staat ben de bedenking van den geachten spreker op te lossen. Thans, Mijne Heeren, loopt de Maas dikwijls in de Waal; in dit opzicht moet ik, indien mijne berichten juist zijn, gelijk geven aan den geachten spreker uit Gorkum. De Maas loopt dikwijls in de Waal, en daaruit ontstaan platen in de laatste rivier. Gelukt het nu Maas en Waal afgescheiden, en dus het Maaswater op de Maas te houden, dan zal zonder eenigen twijfel de rivier daardoor verbeteren. Ik geloof, dat in de laatste dagen de Maas zeer gezwollen was, en voor een aanzienlijk deel zich langs het gat van St. Andries ontlastte in de Waal. Wanneer men nu op eenmaal Maas en Waal zou willen afzonderen, dan ware, geloof ik, dat bezwaar, hetwelk de geachte spreker ducht, voor een deel te vreezen. Dan welk is het plan? Geenszins de sluiting op eens te volvoeren, maar die langzaam voor te bereiden, en niet te doen plaats hebben alvorens de Maas behoorlijk zal zijn verbeterd.

II. Nu kome ik, Mijne Heeren, tot de hoofdbedenking, door sommige sprekers gemaakt, dat men het cijfer der gelden voor de uitvoering van dergelijke plannen niet moet brengen op eene jaarlijksche

Sluiten