Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

begrooting, maar vragen bij eene afzonderlijke wet. Ik heb reeds voorleden jaar gelegenheid gehad mij voor het stelsel te verklaren, dat, waar groote publieke werken moeten worden uitgevoerd, het beter is de toestemming der Staten-Generaal voor de kosten dier werken te vragen bij eene afzonderlijke wet, dan die kosten, vermengd met de uitgaven van den loopenden dienst, op de begrooting te brengen. Deze is de reden geweest die ik heb doen gelden ten aanzien van het Noordbrabantsche kanaal van uitwatering. Ik meen, dat die reden geldt ten aanzien van alle werken, die een gesloten geheel uitmaken, en waarbij men den ganschen omvang en den loop van het werk op eenmaal en bij den aanvang reeds, bij de raming zelve, kan overzien. In zooverre blijf ik dezelfde stelling, hetzelfde beginsel aankleven, dat mij toen heeft bewogen, om het Noordbrabantsche kanaal te doen verdwijnen van de begrooting. Maar is nu dat beginsel toepasselijk op deze werken? Hier hebben wij niet te doen met één werk, ook niet met twee of meer samenhangende ondernemingen, maar met eene lange reeks van bijzondere, zelfstandige werken, die, ook bij eene rassche uitvoering, niet dan in den loop van vele jaren tot stand zullen kunnen worden gebracht. En nu meen ik, Mijne Heeren, dat wanneer men het cijfer voor deze werken, waarvan hier sprake is, de werken die voor de verbetering onzer rivieren volstrekt en reeds sedert zóó lang vereischt worden, en dus niet alleen die, welke nu op de begrooting zijn gebracht, maar die, welke in het algemeen in het groote plan begrepen zijn, — nu is het mijne meening, zeg ik, dat wanneer men het cijfer voor die werken bij eene afzonderlijke wet zou willen vaststellen, het gevolg zal zijn:

Vooreerst, dat men zal uitstellen, en dat men zal uitstellen daar, waar uitstel hoogst bedenkelijk, ja gevaarlijk is. Ik beroep mij hier op hetgeen reeds aan de Kamer is voorgedragen, op hetgeen wij een uur geleden van den geachten spreker uit Deventer hebben vernomen, en dan vraag ik, of wij, wanneer thans weder uitgesteld wordt, hetgeen zoozeer dringt, of wij dan niet ten laatste gevaar zullen loopen, eigenlijk geene rivieren meer te hebben? Ik moet erkennen, dat ik het gevaar zóó dringend acht, dat ik geloof dat het meer dan tijd is, dat men beginne te zorgen dat eindelijk een begin gemaakt worde, daar, waar men zich tot dusverre, gedurende zoo langen tijd, gedurende honderd jaren, wat de groote verbeteringen betreft, vergenoegd heeft met overweging. Hier nog langer te wachten, zou naar mijne overtuiging onverantwoordelijk zijn, en evenwel het voorstel, om het cijfer voor de noodige verbeteringen te brengen in eene afzonderlijke wet, zal leiden — ik behoef het niet te betoogen — zal leiden tot uitstel; de gronden, voor dat stelsel bijgebracht, zouden er onmisbaar toe leiden om eene zoodanige afzonderlijke wet, al wierd ze ook morgen voorgesteld, gewis niet binnen korten tijd aan te nemen.

In de tweede plaats: wanneer men het cijfer voor dit plan wil tkukiikckk Parlementaire redevoeringen, 1850—1851. 0

Sluiten