Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

niet onbillijk, onder den indruk van die vrees, den tegenwoordigen toestand van den overlaat in de Lijmers, den tegenwoordigen toestand van den Overbetuwschen dijk te raadplegen. Deze dijk ligt binnen kort aan de beurt om te worden verzwaard; de Lijmersche overlaat behoeft, meen ik, Mijne Heeren, eene verandering. Ik geloof, dat het Gouvernement meer en meer tot de overtuiging zal komen, die reeds in de medegedeelde stukken der deskundigen is verkondigd, dat het systema van overlaten geen gelukkig systema is. De overlaat van de Lijmers heeft sedert 1820 twee malen gewerkt en in die werking de nadeelen van dat systeem aangetoond. De zaak van den Lijmerschen overlaat verdient daarenboven in verband te worden beschouwd met den bnippelings-overlaat. Deze is inderdaad verhoogd, zelfs boven het peil, dat men had behooren te betrachten. Ik hel over te gelooven, dat het proces, hetwelk ten gunste van den Lijmerschen en Snippelingsoverlaat is gevoerd, met den tijd zal worden verloren; en ik ben genegen om mede te werken tot verhooging èn van den eenen èn van den anderen. In verband nu daarmede, geloof ik, kan en moet men wellicht hetgeen men de verruiming van den IJselmond noemt, uitstellen , en daarentegen zooveel te meer doen ter verruiming van den Beneden-I Jsel.

En nu kome ik, Mijne Heeren, tot het besluit. Ik verklaar, dat ik hetgeen in den uitgewerkten en toelichtenden staat is opgegeven, als verlegging van den rechter-leidijk bij den mond van den IJsel, niet zal laten uitvoeren; dat ik in het volgend jaar niets zal laten doen tot verruiming van den IJselmond. Ik zal evenwel ongaarne eene som van tien duizend gulden van den post laten aftrekken; ik wil die som besteden om den Beneden-IJsel te verruimen en in zooverre te gemoet te komen aan de bedenkingen van de Gedeputeerde Staten van Gelderland, aan diezelfde bedenkingen, die werden aangedrongen door den voorsteller van dit amendement en den afgevaardigde uit Zevenaar. Ik zou inzonderheid wenschen, en ik heb daarover de zaakkundigen geraadpleegd, die tien duizend gulden te besteden, waar zij met vrucht zullen kunnen worden besteed, tot verbetering van het riviervak tusschen Zalk en Kampen. Het niet aannemen van het amendement van den geachten afgevaardigde uit Zutphen zal derhalve den stand van de zaak niet veranderen. Wordt het daarentegen aangenomen, dan zal ik belet zijn, op eene andere plaats te laten doen, misschien met meer gevolg, hetgeen men zich eerst voorstelde te doen aan den IJselmond.

De geachte afgevaardigde uit Leiden heeft gemeend, dat men niet wel het geheele plan kon laten breken door aanneming van het amendement. Hierop moet ik antwoorden, dat die zoogenaamde verruiming van den IJselmond geenszins met de andere werken, hier voorgesteld, in onafscheidelijk verband is. Zulk verband bestaat niet tusschen de onderscheiden werken voor 1851 ontworpen, evenmin als tusschen de werken, welke in volgende jaren zullen plaats hebben.

Sluiten