Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

de laatste jaren blijft. Is de behoefte soms grooter, welnu, men verdeele het drukwerk over twee jaren.

Ik zal niet antwoorden op hetgeen de geachte voorsteller heeft gezegd ten aanzien van het nuttige, voegzame of noodzakelijke, dat de secretarissen traktement genieten, en dat aan de leden presentiegelden wor en uitgereikt. Ik zal ook niet spreken van de voorspraak, die een zoogenaamd uiterlijk prestige bij den geachten spreker heeft gevonden. Ik voor mij ben geen voorstander, geen vereerder van uiterlijke praalvertooning in de wetenschap; ik geloof niet dat de wetenschap vertoon wi o ehoeft; de eerzucht dergenen, op wie eenige glans van die praal terugstraalt, kan daardoor worden gestreeld, maar de wetenschap zelve, in plaats te winnen, zal er schade bij lijden.

De geachte spreker heeft vergeleken hetgeen in België voor dusdanige inric tmg wordt gedaan. Maar dan verzoek ik te mogen vergelijken, wat dergelijke buitenlandsche lichamen ten uitvoer brengen: en wanneer ik aantoon, en ik heb dat aangetoond met cijfers, dat wat het nstituut gedaan heeft, ook met die / 6000 kan gedaan worden, — fan mag ik, zoo het mij voorkomt, vragen, wat kan meer worden verang . Breidt liet Instituut zijnen werkkring uit, aanvaardt het geheel nieuwe ondernemingen, wil het zich op ééne lijn plaatsen met de buitenlandsche lichamen van dien aard, dan zullen wij zien of naar die mate het Rijks-subsidie knn worden uitgebreid. Voor het oogenblik hebben wij met het subsidie te doen op den voet, waarop het sinds de laatste jaren werd besteed.

De voorsteller van het amendement heeft gemeend, dat ik de discussie a behooren over te brengen op het terrein der wetenschap, ik zal met behoeven te zeggen, dat gedurende mijn geheele leven, van het tijdstip af dat ik tot eenige rijpheid van besef ben gekomen, e we ensc ap in mij een harer diepste vereerders vond; maar hetgeen ik u ten aanzien van het Instituut voorstel heeft met dien eerbied niets hoegenaamd gemeen.

Aan oen maatregel, die. naar zijne overtuiging, tot vernietiging van ile instelling moest leiden, wilde de heer van Hall niet medewerken.

Ik geloof te hebben aangetoond, dat het aannemen van dit voorstel van begrooting de ontbinding van het Instituut niet behoeft of behoort ten gevolge te hebben; dat deze begrooting, zoo als zij is uitgetrokken, niets minder dan een doodvonnis over het Instituut behelst. De geac iie spre er heeft gezegd: „het Instituut is opgericht bij Koninklijk besluit; het is een staatslichaam en kan zich niet ontbinden; de secretarissen genieten eene bezoldiging ten gevolge van een Koninklijk besluit . Ik geloof, Mijne Heeren, dat de gevolgtrekking niet zoo streng moet worden genomen. Het is waar, het Instituut is onder Koning Lodewijk opgericht bij Koninklijk besluit; maar men heeft aan dat

Sluiten