is toegevoegd aan je favorieten.

De onuitgegeven parlementaire redevoeringen van Mr. J. R. Thorbecke

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

kan in de toepassing falen. De Regeering heeft door haar voorstel, zoo ik mij niet bedrieg, het bewijs van groote voorzichtigheid gegeven. Haar voorstel toch strekt slechts om de raming van toe te kennen premiën met ongeveer '/io te verminderen; zoodat dit verminderd cijfer het maximum van hetgeen kan worden toegekend zal wezen. Onvoorzichtigheid derhalve, bij de uitvoering van het beginsel, kan aan het Gouvernement gewis niet worden verweten.

Bij het vasthouden van het beginsel meent de Regeering inzonderheid ook dit te kunnen en moeten bedoelen waarop de geachte spreker uit Dordrecht heeft gewezen. Men wil levenskracht trachten op te wekken; en dit zal, indien opwekking mogelijk is, kunnen worden bereikt, door zoodanige trapsgewijze, langzame vermindering als nu wordt voorgedragen.

Onderscheidene sprekers hebben gezegd, men zal met het afschaffen van premiën meer verliezen dan winnen, de afschaffing der premiën zal ten laatste door de geheele vernietiging der visscherij worden gevolgd. Ik zal twee voorbeelden bijbrengen. De geachte voorsteller van het amendement heeft gesproken van het voetspoor onzer vaderen te drukken, en ik zal herinneren dat onze vaderen eerst in 1775, zoo ik mij niet bedrieg, voor het eerst de premiën op de groote vischvangst hebben ingevoerd, op een tijdstip toen die visscherij reeds in verval was, die door het verleenen van premiën noch toen, noch later, is opgebeurd. Mijne twee voorbeelden zijn deze. Het eerste ontleen ik aan de Groenlandsvaart of wal vischvangst. Na ontbinding der Harlingsche maatschappij voor uitrustingen naar Groenland en Straat-Da vis, voeren er onder ééne firma, waaraan ook deelgenomen werd van wege Koning Willem I, die gewoon was dergelijke ondernemingen met milde hand te ondersteunen, jaarlijks twee schepen, en dat getal bestaat nog. Aan deze twee vaartuigen wordt jaarlijks eene premie van uitrusting per schip van ƒ 4000 en voor wanvangst van ƒ 5000 toegekend; zoodat die twee Groenlandsvaarders jaarlijks aan premiën gemiddeld eene som van ƒ 14,000 hebben genoten. Men neme aan, en de Groenlandsvaarders berekenen het aldus, dat zij sedert 1834 eene waarde van ƒ 316,000 in het Land hebben gebracht. Neem aan, dat die gelden zijn betaald door koopers of verbruikers; dan heeft men sedert dien tijd daarenboven aan de Groenlandsvaarders eene som van ƒ 224,000 aan premiën voldaan. En ten wiens laste?

Een ander voorbeeld is dat van Engeland, alwaar sedert de regeering van Koningin Elizabeth premiën waren uitgeloofd. In 1824 werd be" paald, dat van 1830 af geene premiën meer zouden worden uitbetaald, loen bedreigde men ook de Schotsche visscherij met geheele vernietiging; en welke waren de gevolgen? In 1830, het eerste jaar waarin geene premiën meer werden gekweten, ondervond de visscherij een kleinen schok. Er was eenig verschil in de opbrengst van de visscherij met die van vorige jaren, maar spoedig ging zij vooruit, en zij was