Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

in 1847 meer dan het dubbel van hetgeen zij ooit voorheen was geweest. Ziedaar, Mijne Heeren, de vruchten der vrijheid, waarvan de werking zoo heilzaam zal wezen voor dezen tak van bedrijf als voor eiken anderen.

Voor het stelsel des Gouvernetnents pleit ook deze grond. Er mag geen tak van nijverheid door de Regeering bevoorrecht worden boven een anderen. Bevindt men zich eens in een toestand van bevoorrechting, dan kan de Regeering daarin reden vinden, om niet aanstonds over te gaan tot geheele vrijheid. Dit stelt het Gouvernement ook niet voor; het stelt voor langzamerhand, zeer langzaam den weg te banen tot den natuurlijken toestand; het wil vooreerst niet meer dan de belanghebbenden waarschuwen, zonder nog iemand te dwingen kapitalen, nijverheid of arbeid te verplaatsen. Mocht het evenwel ten gevolge van deze, van eene tweede of derde waarschuwing blijken, dat men nog te snel ging, dan zou het nog tijd wezen het tempo te veranderen.

Ik kan mij niet voorstellen, Mijne Heeren, dat in een Land als het onze, de visscherij ooit zal ontbreken. Ik stel mij integendeel voor, dat zij bij ons zal toenemen, indien zij van een staat van gedwongen verpleging of koestering tot hnren natuurlijken toestand wordt teruggebracht. De belanghebbenden beklagen zich; een ieder beklaagt zich, zoodra op hem eenige inkrimping, eenige beperking van geldelijken aard wordt toegepast; maar ik geloof niet, dat de redenen die de belanghebbenden hebben bijgebracht, overeenstemmen met het algemeen belang. Ik bedoel nu niet het belang van de schatkist, maar het belang van het volk, van het groote volk der verbruikers. Ik geloof zelfs, dat de klachten van de belanghebbenden, zoo als zij telkens worden geuit, wanneer deze zaak ter sprake kwam, niet overeenstemden met het wezenlijke belang van het bedrijf dat zij uitoefenden. Ik meen derhalve dat het beginsel der Regeering juist is, en op dezen tak moet worden toegepast, gelijk op alle andere takken van nijverheid. Gelijk vooral zij, die in deze provincie te huis behooren, in 1845, bij de vaststelling van een nieuw tarief, met mij hebben gestreden voor de vrijheid, voor de vrijmaking van bescherming, zoo geloof ik dat diezelfde wet hier hare toepassing vindt; maar zoo, dat, het beginsel aangenomen, groote voorzichtigheid, die langzaamheid welke het Gouvernement zich voorstelt, worde betracht.

Het amendement van den heer Wintgens wordt met 45 tegen l(i stemmen verworpen.

Art. 107. Subsidie aan de Nederlandsche Maatschappij ter bevordering van Nijverheid, te Haarlem. De regeering had gezegd, dat het subsidie voor intrekking vatbaar scheen. De heer van Hasselt dringt aan op nader onderzoek daaromtrent.

Mijnheer de Voorzitter! Het subsidie is voorgesteld voor het aanstaande jaar. Alvorens nu een volgend jaar aan de Kamer de intrekking

Sluiten