Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

uitleg of de uitvoering vnn wetten te pas komen. Indien dat alles, wat inderdaad niet aan tegenspraak onderhevig is, om het boven tegenspraak te verheffen in de artikelen der wet uitdrukkelijk moest vervat worden, — we worden nu somtijds beschuldigd van legomanie; ik weet inderdaad niet, wanr dan het maken van wetten zou eindigen. Iedere wet over een afzonderlijk onderwerp onderstelt algemeene beginselen , die èn bij de verklaring èn bij de uitvoering der wet leiden. Het Fransche recht en niet de Fransche wet, het Fransche recht, zoo als het te allen tijde gegolden heeft, en voor zoover ik weet aan geene tegenspraak onderhevig is geweest, zegt dat: „les habitants <Vun territoire", dat vereenigd wordt met Frankrijk: „réuni h la France", zijn Franschen. En nu zou dit bij ons niet gelden, zelfs niet ten aanzien van personen, die niet slechts op het oogenblik van de vereeniging in het land waren gevestigd, maar er tot nu toe hunne woonplaats hebben behouden? Waarom, Mijne Heeren, algemeene beginselen, elders algemeen erkend, en die ook wij aannemen, in wets-artikelen omschreven? Het Gouvernement heeft, althans in dit geval, tot dusver de noodzakelijkheid daarvan niet ingezien.

De Hoojre Raad /oude, vreesde de heer van Nispen, wanneer hij thans, onder de heerschappij der wet van 1850, moest vonnissen, eene andere uitspraak ge veu.

Mijnheer de Voorzitter! Ik geloof, dat de vrees van den geachten redenaar ongegrond is. Ik ken dat arrest van den Hoogen Raad niet, maar het zal gewezen zijn onder de heerschappij van het Fransche wetboek, of het tegenwoordige Nederlandsche Wetboek. Nu bevat de wet van 28 Juli 1850, ten aanzien van het Nederlanderschap, zoomin als het Fransche of het Nederlandsche Burgerlijke Wetboek ecnig voorschrift, hetgeen den Hoogen Rnad in dergelijke gevallen grond zou kunnen geven om een ander vonnis dan toen te strijken.

26 Maart. Loting voor den rooster van aftreding krachtens art. 115 der kieswet. Moet do eerste helft der leden aftreden in 1851 of in 1852?

Mijnheer de Voorzitter! Ik aarzel geen oogenblik mijne meening ten aanzien van de uitlegging van dit artikel te verklaren. De Vergadering vergunne mij evenwel vooraf eene opmerking te maken; eene opmerking, waartoe èn het voorstel van den geachten Voorzitter, èn de rede zoo even gehouden door den geachten spreker uit de hoofdstad, mij aanleiding geven; eene opmerking, die ik echter niet wensch te zien beschouwen als eene veroordeeling van het besluit dat, gelijk ik zoo even uit den mond van den geachten Voorzitter heb gehoord, door de Vergadering is genomen in de vorige zitting. Ik vernam, dat de Vergadering toen heeft besloten heden den dag te bepalen, waarop de

Sluiten