Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

loting voor do aftreding der leden zou plaats vinden, en liet is tegen zoodanige bespoedigde loting, dat de opmerking, die ik aan de Kamer onderwerp, is gericht.

Ik laat voor liet oogenblik in liet midden, of ingevolge van art. 115 van de kieswet de eerste helft zal moeten aftreden in 1851 dan wel in 1852, maar mijne vraag is deze: of het niet als geraden mag worden beschouwd, dat men zoodanige loting zoo lang mogelijk uitstelle. Mij schijnt het zóó, om tweeërlei reden. Vooreerst omdat het mij wenschelijk schijnt, ik gevoel mij nog wanneer ik wil lid van deze Kamer; ik heb tc lang de eer gehad lid van deze Kamer te zijn en ik ben het ' geweest met te veel genoegen om het mij niet telkens en met gemak te herinneren, omdat het mij, zeg ik, wenschelijk schijnt dat zoo lang mogelijk de gelijkheid van toestand blijve bewaard, die, zoo het mij voorkomt, verbroken wordt na afloop van de loting. Dan is de eene helft veroordeeld om te worden herkozen of vervangen op een aangewezen tijdstip, terwijl de andere helft nog zitting behoudt. Inde tweede plaats schijnt het mij wenschelijk zoodanige loting zoo lang mogelijk te verschuiven van wege de betrekking van de leden tot de kiezers, van wege die onafhankelijkheid die, geloof ik, een van de hoofdbeginselen is van de vertegenwoordiging bij de Grondwet vastgesteld. Eens gekozen, houdt de band tusschen de leden van deze Kamer en de kiezers op, maar na de loting zal de band weer beginnen te worden gelegd. Het is onmogelijk, dat de leden van de Kamer, bij do loting aangewezen om spoedig af te treden, dan niet denken op de aanstaande verkiezingen; het is onmogelijk dat de kiezers niet denken op hetgeen hun dan te doen zal staan. Om die twee redenen komt het mij voor in het algemeen wenschelijk te zijn, do loting zoo lang mogelijk uit tc stellen, tot het tijdstip namelijk, waarop de werkzaamheden ten behoeve der nieuwe verkiezingen moeten worden voorbereid. Ik onderwerp deze opmerking aan het oordcel van de Kamer.

Wat nu betreft dc vraag, door den geachten spreker uit de hoofdstad voorgesteld, ik zal eenvoudig zeggen dat volgens mijne meening art. 115 wil, dat de eerste aftreding plaats vinde op den derden Maandag van September 1852. Ik zal, om die meening te ondersteunen, mij beroepen op den tekst van het artikel: „Bij ontbinding van eene der Kamers of van beide, begint de rooster van aftreding telkens op nieuw tc werken, voor de Eerste Kamer over twee jaren, voor de Tweede Kamer over één jaar, te beginnen met den eerst volgenden derden Maandag in September". Zoo ik dit artikel te berispen had, dan zou ik zeggen: er is, wat de woorden betreft, ééne schakel in overgeslagen, cn die ééne schakel is, het samenkomen van de nieuwe Kamer na de ontbinding. Dezo samenkomst is, mijns inziens, de terminus a quo, de termijn van waar af moet worden geteld. En dat die samenkomst de termijn is van waar af. met betrekking tot dit onderwerp, moet worden gerekend, dit leid ik hieruit af, dat er op het oogenblik dat

8*

Sluiten