Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

de Kamer is ontbonden tot liet oogenblik waarop eene nieuwe Kamer is samengekomen, geene leden van de Kamer zijn, want de Kamer bestaat niet; men is wel gekozen om als lid in die Kamer, wanneer ze zal zijn bijeengeroepen, op te treden, maar de Kamer bestaat niet, het lichaam bestaat niet en dus bestaan ook de leden niet. Er kan derhalve van eene berekening van zittingtijd, van begin van telling om den termijn van aftreding te vinden, van het werken van een rooster geen sprake zijn.

Ik geloof niet, Mijne Heeren, dat ik heb te antwoorden op tegenwerpingen die wellicht vervolgens zouden kunnen worden gemaakt; ik geloof dat ik genoeg heb gedaan, de vraag te beantwoorden, mijne meening te dien aanzien te kennen te geven en die te ondersteunen door den tekst van het artikel, zoo als hij mij schijnt te moeten worden opgevat.

's Ministers interpretatie wordt door den heer Groen van Prinsterer bestreden. Voorstel van den heer van Hall, over te gaan „tot het opmaken bij loting van de lijst der aftredende leden op den derden Maandag in September van de jaren 4H52 en 1854".

Mijnheer de Voorzitter. De geachte spreker uit Zwolle (de heer Groen van Prinsterer) heeft tegen de uitlegging, die naar mijne meening gegeven moet worden aan art. 115 van de kieswet, bijgebracht eenige bewoordingen van de Memorie van Toelichting, gegeven bij het eerste voorstel van wet. Dit is eene eerste opmerking. Ik voeg er eene tweede bij: De Memorie van Toelichting is niet de wet, behelst niet eene authentieke interpretatie van de wet.

Het hoofdpunt, waarop ik de aandacht van de Vergadering, en van den geachten spreker uit Zwolle vooral, wensch te vestigen, is dit: op die bewoordingen van de Memorie van Toelichting, die de geachte spreker heeft voorgelezen, is hetzelfde toepasselijk, hetgeen ik gemeend heb te mogen beweren van de bewoordingen van art. 115.

Ik heb gezegd dat in de bewoordingen van art. 115, zoo mij toeschijnt, eene schakel ontbrak, en dit geloof ik te mogen zeggen van de woorden van de Memorie van Toelichting evenzeer. Ik geloof, dat in de woorden van die Memorie van Toelichting, waar gesproken wordt van de ontbinding der Kamer, evenzeer moet worden verstaan, dat men moet tellen van het tijdstip, waarop de Kamer, die bijeenkomt na de ontbinding, zal zijn vergaderd.

Nog een enkel woord, Mijne Heeren, ten aanzien van het voorstel, door den geachten spreker uit de hoofdstad aan de Vergadering gedaan.

De geachte spreker heeft, zoo ik wel verstaan heb, voorgesteld, dat de Kamer zou besluiten over te gaan tot de loting, ter aanwijzing der leden, die zouden moeten aftreden op den derden Maandag van de maand September 1852, en de geachte spreker heeft er bijgevoegd, dat

Sluiten