Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

keuren de leden voor het bijwonen daarvan schadeloos te stellen, mochten vorderen. Die commissiën zullen vergaderen in een uitsluitend provinciaal belang; die commissiën zullen worden benoemd bij besluit van eene Provinciale Statenvergadering; de eene vergadering zal veel, de andere weinig of in 't geheel niets aan commissiën opdragen. Uit dien hoofde ook vallen de kosten, door die commissiën veroorzaakt, binnen den kring van de provinciale huishoudelijke begrooting.

Ik hoop en geloof geenszins, dat door >i/«/-toelegging van vergoeding aan de leden van commissiën, de ijver, de werkzaamheid van de Provinciale Staten zou kunnen worden verminderd; maar mocht die onderstelling waar zijn, men zou op die wijze, en op die wijze alléén, moeten trachten te gemoet te komen. Nimmer zal men echter ten laste van de Rijksbegrooting behooren te brengen, hetgeen op geenerlei grond voor eene Rijksuitgave kan worden verklaard of daarmede gelijkgesteld.

Het amendement van den heer van Lijnden wordt met 46 tegen 9 stemmen verworpen.

10 April. Ontwerp van wet tot tijdelijke wijziging van de wet van 12 Maart 1818 (Staatsblad n°. 15) oi' df. uitoefening der groote visscheru. Krachtens art. 20 van de wet van 1818 mocht „geen inwoner van het koninkrijk voor den 24-sten Juni des avonds en na den Sisten December, de netten uitwerpen, om in volle zee haring te visschen". De strekking van het ontwerp was, den Koning gedurende de jaren 1851, 1852 en 1853 de bevoegdheid te verleenen, den aanvang dier visscherij drie en twintig dagen te vervroegen, eene vrijheid, die de heeren Smit en van Akerlaken veroordeelden. De voordeelen der haringjagerij, zoo meenden zij, zouden dan verloren gaan ten bate van hen, die het mochten vermeten vroeger uit te zeilen.

Ik verzoek de twee eerste sprekers van dezen morgen, wier redevoeringen, tegen het voorstel van wet gericht, ik met bijzondere belangstelling heb gevolgd, mij de opmerking te veroorloven, dat die redevoeringen te recht zouden gehouden zijn in eene vergadering van reeders, beraadslagende over de vraag, welke keuze zij in hun gezamenlijk belang zouden hebben te doen, ten aanzien van vroeger of later uitzeilen, van vroeger of later uitwerpen van netten. Maar is dit het terrein, waarop de wetgever zich behoort te plaatsen? Is dit het terrein, waarop dit voorstel van wet — althans naar de bedoeling van het Gouvernement — is geplaatst? Welke is de strekking van dit voorstel? De strekking is voor te bereiden, den weg te effenen, tot eene geheele vrijheid.

De twee eerste sprekers, en ook in sommige opzichten de laatste spreker, hebben onderscheidene bedenkingen geopperd. Zij hebben zich bijv. hierop beroepen, dat door de tegenwoordige inrichting, volgens de wet van 1818, de winst van de eerste vangst door de reeders gezamenlijk wordt genoten, en dat nu, bij eene vervroeging van den

Sluiten