Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

mei op ae urondwet, maar op de gedachte die sedert 1815 bij de Regeering zou bestaan hebben; maar dat die gedachte de Regeering toen en vervolgens niet geleid heeft, dit blijkt uit de reglementen omtrent de besturen in de steden en te platten lande, en uit de handelingen van het Gouvernement sedert dien tijd.

De geachte spreker heeft op de vraag, wat kan de Raad doen, onderscheidene voorbeelden bijgebracht; voorbeelden die vermeerderd zijn met andere door den geachten spreker uit Nijmegen (den heer van Lijnden), ten betooge dat deze wet oneindig minder geeft dan de Grondwet wil, — voorbeelden, wederom vermeerderd door den geachten redenaar uit Utrecht (den heer van Goltstein), die insgelijks in dit ontwerp vindt eene centralisatie, niet overeenkomende met de Grondwet. Ik geloof, dat er, zoo die onderscheidene sprekers op die bezwaren staan blijven, bij de behandeling der onderscheidene artikelen, gelegenheid zal zijn om op die bezwaren terug te komen, en ze, zoo het mij mogelijk is, te wederleggen. Ik moet evenwel enkele punten nu aanroeren, omdat zij ten betooge zijn bijgebracht van de algemeene stelling en het mij voorkomt, dat niet alleen de algemeene stelling .ils zoodanig onjuist is, maar inzonderheid dat zij ook niet door die voorbeelden wordt ondersteund. De geachte spreker uit Arnhem heeft bijv., wat het onderzoek der geloofsbrieven betreft, gezegd, dat Gedeputeerde Staten, zelfs ambtshalve, een lid kunnen zenden in den Raad. Dit zal zien op het geval, waarin de Raad den benoemde afwijst. Nu heeft, dunkt mij, de geachte spreker niet gelet op het verband, waarin dat recht van Gedeputeerde Staten staat met de wet. Waarom is het gegeven ? De Raad kan niet afwijzen, dan volgens de wet; iemand, die de vereischten bezit, die te recht is gekozen, heeft recht om te worden toegelaten; wanneer nu de wet niet mocht worden uitgevoerd , zal daarin door eene hooge autoriteit kunnen worden voorzien. Ik vraag of onder een stelsel, waarbij de gemeente niet meer gesloten mag zijn voor de wet, zoodanige waarborg niet wordt vereischt, en of daarin gelegen is hetgeen de geachte spreker er uit wilde afleiden, dat de Raad niets zou kunnen doen, en dat eigenlijk het middenpunt van handelen elders dan in de gemeentebesturen is gevestigd. De geachte redenaar verder heeft gezegd: de wet moest zelfs de bepaling inhouden om aan de gemeentebesturen de bevoegdheid toe te kennen, inlichtingen te vragen aan de ambtenaren aan die gemeentebesturen ondergeschikt. Daarop is reeds geantwoord door den geachten redenaar uit Dordrecht (den heer Lotsij). De geachte redenaar uit Arnhem heeft zicli niet herinnerd, dat gelijke bepaling voorkomt in de provinciale wet, en in de tweede plaats heeft hij aan deze bepaling eene te nauwe strekking toegekend. Hij gelieve zich te herinneren, wat met ambtenaren wordt gelijkgesteld in dit ontwerp van gemeentewet; ambtenaren en besturen staat er, zoodat ook op alle besturen die ondergeschikt zijn aan de gemeentebesturen, dit recht zal kunnen worden toegepast.

9*

Sluiten