Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

en aan de Regeering aangegeven ware, wat men dan bij de wet bepalen zou, als daarstellende eene groote of eene kleine gemeente. Eene kleine gemeente, wat betreft het zielental, kan zeer groot zijn in omvang en in omslachtigheid en belangrijkheid van bestuur.

In de tweede plaats zijn zij, die tegen uniformiteit opkwamen, het antwoord schuldig gebleven op de vraag: wat in het ontwerp anders moet zijn, opdat dit beantwoorden zou aan hetgeen zij willen? Wat moet anders worden geregeld bij de wet voor de groote gemeenten dan voor de kleine? Wellicht wordt dit opgelost in den loop van de discussiën, en ik zal dan nagaan of elementen van dien aard in deze wet, naar mijne meening, zouden kunnen worden gebracht.

De geachte spreker uit Nijmegen heeft bij het slot zijner rede gewezen op een gezegde vnn Burke. Zoo ik mij wel herinner, zeide Burke, volgens de aanhaling van den geachten spreker, dat geneigdheid om te behouden met kracht en werkzaamheid tot verandering den echten staatsman kenmerkt. Dit zou dan nu worden toegepast op den wetgever, geroepen om eene wet voor de gemeenten vast te stellen. Zoo de wetgever niet alleen moet veranderen, maar ook moet behouden, ik meen dat dan hieraan bij deze wet zal voldaan zijn. Dit is reeds aangetoond door den geachten spreker uit Zwolle, en ik geloof dat wanneer men dit ontwerp van wet vergelijkt met de tegenwoordige regeling, dat dan al hetgeen waardig was te worden behouden, ook bevonden zal worden behouden te zijn en men ook niet in dit wets-ontwerp zooveel nieuwigheid vinden zal als men wellicht zou kunnen afleiden uit de redevoeringen van hen, die dit ontwerp in zijne gansche strekking hebben bestreden.

In de laatste plaats heeft de geachte afgevaardigde uit Zwolle (de heer Groen van Prinsterer) aan mij gericht een panr vragen, niet over de wet, maar over de memorie van beantwoording en, zoo ik geloof, ook over de memorie van toelichting.

Ik weet niet, Mijne Heeren, of het door u allen zal worden geacht geheel in de orde te zijn, wanneer er bij gelegenheid van de discussie over het ontwerp van wet, eene bijzondere discussie over die gewisselde stukken geopend wordt. Maar zoo de Vergadering niet oordeelt dat de orde daardoor wordt verstoord, zal ik gaarne antwoord geven. Ik zal dit te lieverdoen, omdat ik, den geachten spreker antwoordende, niet alleen hem antwoord, maar ook die velen onder ons, ook dat groot deel van de Natie, in welks naam de geachte afgevaardigde sprak en in welks naam hij zoo dikwijls gesproken heeft. Zoo mijn antwoord den geachten spreker voldoet, hetgeen op zich zelf reeds hooge waarde voor mij zal hebben, en het dan tevens die velen onder ons, of dat groot deel van de Natie, waarvan de geachte afgevaardigde gewoon is zich het orgaan te noemen, kan voldoen, zal ik mij bijzonder gelukkig gevoelen.

Ik zal niet spreken over het zeggen van den geachten spreker, dat.

Sluiten